Archief medisch / psyche,

 

Farmaceutische bedrijven hebben een steeds grotere invloed op psychologen en psychiaters. Dat komt naar voren bij de nieuwe versie van het wereldwijde handboek voor psychiatrische stoornissen. 'Een gift, hoe klein ook, schept verwachtingen' Van de psychologen en psychiaters die bepalen wat er in dat standaardwerk komt te staan, heeft ruim tweederde banden met een geneesmiddelenfabrikant. Dat concluderen Amerikaanse onderzoekers na een controle van de werkzaamheden van de 141 deskundigen.
Aan de nieuwe bijbel voor de psychiatrie, de DSM-5 waarop psychiaters en psychologen hun diagnoses baseren, wordt al jaren door experts uit tal van landen gewerkt. Dat gebeurt in commissies die allemaal over een groep stoornissen besluiten. De onderzoekers bekeken per commissie de belangenverstrengeling van de leden en rapporteren daarover vandaag in het vakblad PLoS Medicine.
Opmerkelijk genoeg, schrijven ze, komen de meeste banden met de industrie voor bij commissieleden die zich buigen over ziektebeelden waarvoor medicijnen de eerste behandeloptie zijn. Zo is in de werkgroep slaapstoornissen bij alle zeven leden sprake van belangenverstrengeling. De werkgroep heeft voorgesteld om rusteloze benen op te nemen als nieuw syndroom, schrijven de onderzoekers met lichte ironie: een aandoening waarvoor medicijnen op de markt zijn gebracht.
De DSM-5 moet over een jaar gereed zijn. Het handboek zal een grote invloed hebben op het aantal diagnoses en behandelingen. Artsen die zulke richtlijnen opstellen, moeten daarom streng worden beoordeeld op onafhankelijkheid, aldus de onderzoekers.
De laatste tijd klinkt toenemende internationale kritiek op een aantal nieuwe diagnoses die voor de DSM-5 worden voorgesteld omdat normaal gedrag zou worden gemedicaliseerd. Zo gaan stemmen op om mensen die langdurig rouwen om een verloren geliefde als depressief te kunnen aanmerken.
Een paar jaar geleden analyseerden dezelfde onderzoekers de belangenverstrengeling van leden die zich bezig hadden gehouden met de samenstelling van de vorige editie van het handboek, de DSM-IV. Toen had 57 procent banden met een geneesmiddelenfabrikant. De Amerikaanse Vereniging voor Psychiatrie (APA) die de regie voert over de samenstelling van de DSM, maakte na kritiek dit keer de belangen van alle leden openbaar. Die transparantie heeft het probleem niet verholpen, constateren de onderzoekers: het aantal deskundigen dat banden heeft met een farmaceut is met ruim 20 procent toegenomen.
'Een gift, hoe klein ook, schept verwachtingen', schrijven de onderzoekers. Banden met de industrie kunnen volgens hen een andere manier van denken bewerkstelligen. Zo leveren geneesmiddelenstudies die worden gefinancierd door een farmaceutisch bedrijf vaker positieve resultaten op dan niet-gesponsorde studies.
Henk Jan Out, bijzonder hoogleraar farmaceutische geneeskunde in Nijmegen en vicepresident klinisch onderzoek bij geneesmiddelenfabrikant MSD, waarschuwt dat het op veel terreinen bijna onmogelijk is om nog deskundigen te vinden die nooit voor de industrie hebben gewerkt. Dat maakt hen niet onbetrouwbaar, zegt hij. 'Ze worden door de industrie geraadpleegd omdat ze expert zijn. Onafhankelijkheid kan ook synoniem worden met minder kennis van zaken, dus minder kwaliteit.' Door: Ellen de Visser − 14/03/12 Volkskrant

De Groningse GZ-psycholoog Herman de Mönnink (57) is rouwtherapeut en traumatherapeut. Hij begeleidt al vijftien jaar nabestaanden van moordslachtoffers en heeft een vijfdaagse cursus verzorgd voor casemanagers levensdelicten en twee trainers van Slachtofferhulp Nederland. De Mönnink schreef het handboek Verlieskunde. Handreiking voor de beroepspraktijk (2008). De gevolgen van een moord zijn voor de nabestaanden zeer ingrijpend, zegt De Mönnink. ‘Het is een aanslag op hun levens- gebouw. Dat is in de fundamenten geraakt en dreigt in te storten.
Hoe kun je dat stutten?’ Nabestaanden willen alles over de toedracht weten, maar worden vaak ‘beschermd’ tegen hun eigen wensen.

‘Als ze later de details alsnog horen, zeggen ze: het lijkt of ik hem of haar een beetje terug heb.’ Nog jaren na de moord kampen veel nabestaanden met onbegrepen medische, psychische en sociale klachten. ‘In de wetenschap heet dat het Unfi¬nished Business Syndroom, UBS. Vroegtijdige herkenning van dit onverwerkte oud zeer kan mensen weer perspectief bieden. Met deskundige hulp kun je dan vaak alsnog bewust een punt zetten achter de “onaffe” aspecten van de moord. Bij moord is de combinatie van traumaverwerking en verliesverwerking moeilijk.’ Door de moord is er voor de nabestaanden onherstelbare schade aangericht, zegt De Mönnink. ‘Het is een knock-out in de levensring. Mensen kunnen er wel mee leren leven. Maar zoals de moeder van een overleden meisje van tien zegt: “Het gemis is een hemd dat ik nooit kan uittrekken.” ’Diep van binnen ben ik aangetast. Ik, dat ben ik met haar, met gebrek aan haar.’

 

Het onderdrukken van agressieve fantasieën werkt averechts en leidt eerder tot agressief gedrag. Dat concludeert de Rotterdamse psychologe Marleen Nagtegaal die volgende week vrijdag promoveert aan de Erasmus Universiteit. Ze deed onderzoek naar de invloed van gedachtecontrole en persoonlijkheid op agressief gedrag. Volgens Nagtegaal heeft iedereen agressieve fantasieën. Leeftijd, intelligentie, geslacht en sociale achtergrond doen er niet toe, ook niet hoe vaak ze voorkomen. Het hebben van agressieve gedachten is zo gek niet, stelt de onderzoekster. „Belangrijker is wat je ermee doet. Onderdruk je die fantasieën, praat je erover of zoek je afleiding.” In de laatste twee gevallen is de kans kleiner dat je agressief gedrag vertoont. Onderdruk je die agressieve fantasieën, bestraf je jezelf ervoor of pieker je erover, dan is de kans groter op agressief gedrag. De psychologe onderzocht vrouwelijke en mannelijke studenten, mannelijke leden van een schietsportvereniging en mannelijke gedetineerden. Ze vroeg naar het hebben van agressieve fantasieën zoals de behoefte om iemand uit te schelden of in elkaar te rammen en het hebben van moordneigingen. Iedereen blijkt die fantasieën te hebben, maar gaat verschillend met de controle ervan om. Nagtegaal maakte gebruik van het zogenoemde witteberenexperiment om die controlestrategie te meten. „Je vraagt aan iemand vijf minuten niet te denken aan een witte beer en die blijkt dit dan juist te doen. Het proberen te onderdrukken van ongewenste gedachten is dus erg moeilijk.” Deze controlestrategieën bepalen mede of deze fantasieën agressief gedrag veroorzaken. Onderdrukken en bestraffen als controlemiddel werkt niet, de agressieve gedachten verminderen niet en kunnen leiden tot agressief gedrag en depressies. Van de onderzochte groepen blijken gedetineerden het moeilijkst om te kunnen gaan met die gedachten. Zij piekeren vaker, straffen zichzelf voor het hebben van die fantasieën en onderdrukken de gedachten. Sommige strategieën zorgen ervoor dat je zelfs minder agressieve gedachten hebt, zoals het praten met vrienden over die ongewenste gedachte. Ook zoeken naar afleiding door andere dingen te doen werkt, waardoor je vergeet welke agressieve gedachte je had. 

 

 

 

 

 

EMDR therapie

 

De afkorting staat voor Eye Movement Desensitization and Reprocessing.

 

Het is een therapie voor mensen die last blijven houden van de gevolgen van een schokkende ervaring, bijvoorbeeld een geweldsmisdrijf. Men spreekt dan wel van een “trauma”. De Amerikaanse psychologe Francine Shapiro heeft deze vorm van therapie bij toeval ontdekt en daarna verder ontwikkeld.  

 

 

 

Waarvoor is EMDR bedoeld?

 

Bepaalde gebeurtenissen kunnen diep ingrijpen in het leven van mensen. Een groot deel van de mensen “verwerken”deze ervaringen op eigen kracht. Bij anderen ontwikkelen zich psychische klachten. Hierbij gaat het vooral om zich opdringende herinneringen aan de traumatische gebeurtenis, waaronder angstwekkende beelden (herbelevingen, flashbacks), nachtmerries en het ontwijken van situaties. Men spreekt dan van een post traumatische stress-stoornis (PTSS). EMDR is bedoeld voor de behandeling van mensen met PTSS en andere angstklachten die in relatie kunnen staan  met een trauma. Wat wel belangrijk is, is dat de klachten zijn ontstaan als direct gevolg van een concrete, akelige gebeurtenis en waarbij het denken aan deze gebeurtenis nog steeds een emotionele reactie oproept.

Er is is veel wetenschappelijk onderzoek gedaan of EMDR echt werkt. Uit de resultaten blijkt dat cliënten goed op EMDR reageren. Als het gaat om een trauma na een eenmalige ingrijpende gebeurtenis, dan zijn mensen vaak al na drie tot vier sessies in staat om de normale bezigheden weer op pakken. Voor je begint met EMDR therapie zal er uitgebreid aandacht worden besteed aan de oorzaak en achtergronden van de klachten. Daarnaast wordt er gekeken naar een aantal individuele kenmerken waaronder de persoonlijke draagkracht en de last die men van de klachten  heeft. Daarna zal blijken of een gerichte traumabehandeling op dat moment noodzakelijk of nodig is, en of daarvoor EMDR kan worden gebruikt.

 

Hoe kan de therapie worden voorbereid?

 

EMDR werkt vaak snel. Daarnaast kan het ook een erg intensieve therapie zijn. Daarom zal de therapeut niet alleen vertellen wat hij gaat doen en waarom, maar ook uitgebreid uitleggen wat de cliënt moet doen om zijn emoties zo goed mogelijk de baas te blijven. Dit wordt meestal ook geoefend.

 

Hoe gaat EMDR in zijn werk?

 

De therapeut zal de cliënt vragen aan de gebeurtenis terug te denken compleet met de bijbehorende beelden, gedachten en gevoelens. Eerst gebeurt dit om meer informatie over de traumatische beleving te krijgen. Daarna zal de therapeut vragen om de gebeurtenis opnieuw voor de geest te halen. Maar nu gebeurt dit in combinatie met een afleidende beweging. Vaak zal dat de hand van de therapeut zijn. De therapeut zal vragen de aandacht hierop te richten en beweegt daarna de hand op ongeveer 30 centimeter afstand voor het gezicht langs.

Er wordt op die manier een serie van ongeveer 25 oogbewegingen  gemaakt. Na elke serie oogbewegingen  wordt er even rust genomen. De therapeut zal de cliënt dan vragen wat er in gedachten  naar boven komt. De EMDR procedure brengt vaak een stroom van gedachten en beelden op gang, maar ook gevoelens en lichamelijke gewaarwordingen. De cliënt wordt na elke serie oogbewegingen gevraagd zich te concentreren  op de meest opvallende verandering, waarna een nieuwe serie oogbewegingen volgt.

De series oogbewegingen zorgen er op een gegeven moment voor dat de herinnering haar kracht en emotionele lading verliest. Het wordt dus steeds makkelijker aan de oorspronkelijke gebeurtenis terug te denken. In veel gevallen veranderen ook de herinneringen zelf en worden ze bijvoorbeeld waziger of kleiner. Maar het kan ook zijn dat minder onprettige onderdelen van dezelfde situatie naar voren komen. Een andere mogelijkheid is dat er spontaan nieuwe gedachten of  inzichten ontstaan die een andere, minder bedreigende, betekenis aan de gebeurtenis geven. Deze effecten dragen ertoe bij dat de schokkende ervaring steeds meer een plek krijgt in de levensgeschiedenis van de persoon. Na afloop van een EMDR therapie kan de stroom gedachten of beelden nog even doorwerken. Dat is goed. Het is een geruststelling om te weten dat dit meestal niet langer dan drie dagen duurt. Daarna is er als het ware een nieuw evenwicht ontstaan. Het is aan te raden een dagboek bij te houden om op te schrijven wat er naar boven komt. Deze dingen kunnen dan in een volgende sessie besproken worden.

Hoe EMDR nou precies werkt is nog niet helemaal duidelijk. Er zou een verband kunnen zijn met de snelle oogbewegingen die in je REM-slaap maakt (Rapid Eye Movement : de snelle oogbewegingen die je maakt tijdens je slaap als je droomt). Toekomstig onderzoek zal moeten verklaren of dat echt zo is.

 

EMDR en traumatische verliesverwerking

 

Een groot probleem voor de nabestaande is vaak dat de prettige herinneringen aan de overleden persoon worden overschaduwd door vervelende herinneringen, gevoelens van angst, schuld en boosheid. Als EMDR op een juiste manier wordt toegepast krijgt de nabestaande weer meer dierbare herinneringen.

EMDR kan niet helpen het verdriet te verminderen. Verdriet is een normale menselijke emotie. Als wij niet zouden kunnen liefhebben zouden wij ook geen verdriet kunnen ervaren. Het verminderen van het verdriet is dan ook niet het doel van de toepassing van EMDR. Als schuldgevoelens of gevoelens van angst toch overheersend aanwezig blijven na het bespreken van deze gevoelens, kan EMDR worden toegepast.

Ieder mens reageert anders na het verlies van een dierbare. Sommige mensen hebben het gevoel dat ze sterk moeten blijven. Vaak komt daarbij dat de mensen denken dat ze gek worden als ze hun verdriet toelaten. In dit geval kan EMDR helpen de mensen het verdriet te laten ervaren en te merken dat ze niet gek worden.

De verwerking van verlies wordt ook vaak gehinderd door vreselijke schuldgevoelens. Mensen kunnen denken dat ze dingen niet goed hebben gedaan, of ze denken dat ze de overledene te weinig aandacht hebben gegeven. Een schuldgevoel dat alles overheerst kan het leven verder tot een hel maken. Tijdens de behandeling kan het verschil tussen aanvaarding van de feiten en extreme schuldgevoelens worden besproken.

EMDR kan dus een ondersteunende rol in de verwerking van verlies hebben. De psycholoog moet op de hoogte zijn van nuttige therapeutische methodes zoals schrijfopdrachten en andere afscheidsrituelen.

 

Met dank aan dhr. R. Luijpen, ingezonden Mieke van Dorst.

 

Wie als kind mishandeld of seksueel misbruikt is, reageert de rest van zijn leven vaak hevig op stress. Canadese onderzoekers van McGill University in Montreal hebben nu een biologische basis voor dat effect gevonden.
Bij slachtoffers van mishandeling blijkt in de hersenen een gen geblokkeerd dat een belangrijke rol speelt in de reactie op stress. Er zijn methylgroepen aan gebonden, waardoor het gen geen eiwit meer maakt. Een wetenschappelijk artikel over de vondst verscheen zondag online op de website van Nature Neuroscience.
De Canadezen onderzochten de hersenen van 24 zelfmoordslachtoffers. Twaalf waren als kind mishandeld, fysiek of seksueel. Bij hen troffen de onderzoekers veranderingen aan in het gen NR3C1. Dat gen bevat de genetische code voor een eiwit (een receptor) waar tijdens een stressreactie boodschappermoleculen aan binden.
De Canadezen richtten zich op de hippocampus, het hersendeel waar deze receptor het meest te vinden is. Bij twaalf mensen die zelfmoord hadden gepleegd maar geen nare jeugd hadden gehad, en bij mensen die op een andere manier waren gestorven, vonden ze de genveranderingen niet.
Het gaat om epigenetische veranderingen, waarbij er remmende molecuulgroepen (methylgroepen) aan het gen zijn vastgezet. Hierdoor ontstaan er in het brein minder van die zogenaamde glucocorticoidreceptoren.
De bewuste receptor maakt deel uit van een belangrijk stress-regulerend systeem in het lichaam, waarin verschillende hersendelen samenwerken met de bijnier. Als de receptor mist, raakt dit systeem overactief, niet alleen onder stressvolle omstandigheden maar ook onder normale. Dat is vaak het geval bij stemmingsstoornissen, schizofrenie en suïcidaal gedrag.
Uit eerder onderzoek was al gekomen dat de reactie op stress door dit systeem overdreven is bij mensen die als kind mishandeld of verwaarloosd zijn. Ook was al aangetoond dat bij verwaarloosde ratten- en muizenjongen door epigenetische veranderingen minder van de NR3C1-receptor ontstaat.
De Canadezen laten nu met hun studie zien dat de eerdere bevindingen bij ratten ook voor mensen gelden. De manier waarop ouders met hun kind omgaan blijkt via epigenetische veranderingen de werking van het stress-systeem van het kind te beïnvloeden.
Moeders kunnen dit zelfs voor de geboorte van hun baby al veroorzaken, bleek uit een onderzoek vorig jaar. Wanneer zij depressief zijn in het derde trimester van de zwangerschap, hangen aan het NR3C1 gen van de baby meer methylgroepen dan gewoonlijk. Zo zou een moeder haar neiging tot depressie kunnen doorgeven aan haar kinderen.

Door Niki Korteweg

 

 

 

 

 

Informatie over het Trauma Diagnostisch Centrum.

Ze behandelen niet. Ze stellen alleen een diagnose, geven een behandeladvies en verwijzen naar een gespecialiseerd behandelcentrum in je eigen omgeving. In één dag.

Trauma Diagnostisch Centrum   http://www.pdcentrum.nl/index.php
Ze werken samen met o.a. het Instituut voor Psychotrauma: http://www.psychotrauma.nl/
Het Landelijk Psychotraumacentrum voor Kinderen en Jongeren van het Universitair Medisch Centrum Utrecht, locatie Wilhelmina Kinderziekenhuis: http://www.umcutrecht.nl/subsite/psychotraumacentrum
Stichting Centrum 45
Centraal Militair Hospitaal.

Expertise van verschillende psychotrauma behandelcentra gebundeld in één loket

Het Psychotrauma Diagnose Centrum: PDC

Wanneer u te maken heeft met een cliënt met ernstige psychische klachten naar aanleiding van een trauma, kunt u terecht bij één landelijk loket voor advies en diagnostiek. Het PDC verricht specialistisch psychodiagnostisch onderzoek naar de psychische gevolgen van traumatische gebeurtenissen. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek geven de specialisten een onafhankelijk advies over de behandelmogelijkheden voor cliënten.
Het PDC richt zich op een zo breed mogelijk terrein van traumatische gebeurtenissen. In het bijzonder is er aandacht voor gebeurtenissen, die ernstige en langdurige (ptss) klachten tot gevolg hebben en waardoor het leven van de getroffene en/of van zijn/haar directe omgeving ernstig is ontwricht.
Het PDC is een initiatief van
Stichting Centrum '45. Er bestaat een nauwe samenwerking met het Instituut voor Psychotrauma, het Landelijk Psychotraumacentrum voor Kinderen en Jongeren en het Centraal Militair Hospitaal. Door de bundeling van kennis en ervaring, is het PDC als geen ander thuis op het gebied van trauma en de gevolgen daarvan.
Hoe werkt het PDC?
Binnen het bestek van één onderzoeksdag wordt psychiatrisch, psychologisch en psychediagnostisch onderzoek gedaan met specifieke aandacht voor de traumatische gebeurtenissen en schokkende ervaringen in het leven van de betrokkene. Tevens aandacht wordt besteed aan aanwezige persoonlijkheidsproblematiek en aan de invloed van de culturele achtergrond op het klachtenpatroon.
Aan het eind van de onderzoeksdag wordt in een adviesgesprek de diagnose besproken, uitleg gegeven over de aard van de psychische problematiek en aangegeven welke behandeling het meest geschikt is.
Het PDC stuurt de verwijzer een advies toe met suggesties voor de meest adequate en efficiënte (trauma)behandeling, inclusief informatie waar met deze behandeling in Nederland de meeste ervaring is opgedaan.
Achtergrond
Traumatische gebeurtenissen en schokkende ervaringen zijn aan de orde van de dag. Deze gebeurtenissen en ervaringen kunnen ernstige én langdurige gevolgen hebben voor de betrokkenen en hun omgeving (partners, familieleden, kinderen).
Traditioneel wordt trauma gekoppeld aan vervolging, oorlog en/of geweld. Al tientallen jaren bestaat er gespecialiseerde hulpverlening voor oorlogsgetroffenen, getraumatiseerde vluchtelingen, veteranen, hun partners en kinderen van deze groepen.
Daarnaast zien we echter steeds meer langdurige psychische klachten ten gevolge van beroepsgerelateerde traumatisering (politie, brandweer, treinmachinisten, ambulancepersoneel, e.d.), langdurige psychotrauma gerelateerde klachten bij slachtoffers van rampen, langdurige ptss klachten ten gevolge van uitzendingen in risicogebieden in de wereld, gijzelingen en traumatische gevolgen van blootstelling aan andere uitzonderlijke (menselijke) noodsituaties.
Dergelijke traumatische ervaringen kunnen leiden tot: ernstige of terugkerende depressies, ernstige en langdurige ptts klachten zoals: angst, prikkelbaarheid, herbelevingen, concentratiestoornissen, slaapstoornissen en agressieregulatieproblemen; alcoholverslaving en andere middelenverslavingen; ernstige en langdurige relatieproblemen; sociale isolatie of ernstige arbeidsproblemen.  

brochure:    http://www.pdcentrum.nl/files/pdc_brochure.pdf

Het Landelijk Psychotraumacentrum voor Kinderen en Jongeren van het Universitair Medisch Centrum Utrecht, locatie Wilhelmina Kinderziekenhuis, is een academisch centrum en gespecialiseerd in de hulp aan kinderen (0-18 jaar), hun ouders en voor het kind belangrijke anderen.
Jaarlijks maken in Nederland talloze kinderen en jongeren een zeer schokkende gebeurtenis mee, zoals een ernstig ongeval, de plotselinge dood van een dierbare of (getuige zijn van) een geweldsmisdrijf. Het Psychotraumacentrum richt zich op kinderen en jongeren met een dergelijke ervaring.
Daarnaast biedt het centrum ondersteuning aan iedereen die met getraumatiseerde kinderen te maken heeft of kan krijgen, zoals kinder- en jeugdartsen, politie, hulpverleners, leerkrachten en gezinsvoogden.
http://www.umcutrecht.nl/subsite/psychotraumacentrum

Instituut voor Psychotrauma (IvP)

Het IvP houdt zich al meer dan 20 jaar bezig met de invloed van schokkende gebeurtenissen als rampen, calamiteiten, geweld en ongevallen op mensen en hun omgeving. Het IvP biedt bedrijven, gezondheidszorginstellingen, overheden en hulpverleningsinstanties, zoals politie en brandweer, praktische ondersteuning op wetenschappelijke basis. De diensten van het instituut omvatten opvang, therapie, crisisondersteuning, opleiding, onderzoek, advies en voorlichting. Deze zijn zowel gericht op het beperken van de gevolgen van schokkende gebeurtenissen als op preventie.

Op dit terrein is het IvP het leidende expertisecentrum in Nederland.
http://www.psychotrauma.nl/

 

 

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Contact

A.D.S.home

Gastenboek

  Inschrijven

 

 

 

 Medisch/Psyche  013 F