Archief onderzoek,
 

  Rijksuniversiteit Groningen / nummer 185 / 23 november 2010

Start onderzoek naar emotionele gevolgen van moord

Directe nabestaanden van slachtoffers van moord krijgen vaak te maken met posttraumatische stressstoornissen en gecompliceerde rouw. In Amerika is ervaring opgedaan met professionele hulp die de gevolgen hiervan kan beperken. De Rijksuniversiteit Groningen start, met medefinanciering door het Fonds Slachtofferhulp, een onderzoek naar de vraag of professionele hulp ook effectief kan zijn in Nederland.

Het hulpprogramma heeft als doel posttraumatische stress te voorkomen bij nabestaanden van slachtoffers van moord en zal landelijk worden aangeboden. De behandeling aan nabestaanden bestaat uit psycho-educatie en cognitieve gedragstherapie. Op indicatie kan dit worden toegespitst op EMDR (zie: www.emdr.nl) en/of gezinstherapie. Het onderzoek richt zich tevens op de wijze waarop nabestaanden omgaan met de behoefte aan wraak, de manier waarop zij betekenis geven aan het verlies, het belang van lotgenotencontact en de rol die het hebben van veerkracht speelt.

Het onderzoek is een initiatief van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de projectleider dr. J. de Keijser en begeleid door prof. dr. P.J. de Jong (RUG) en dr. P. Boelen (Universiteit Utrecht). De Vereniging Ouders van een Vermoord Kind (VOVK) ondersteunt dit onderzoek, is mede-initiator en participeert in de begeleidingscommissie. Het onderzoek wordt uitgevoerd door promovendus mw. drs. M. van Denderen.

Het vierjarige onderzoek resulteert in een wetenschappelijk onderbouwd hulpverleningsprogramma en wordt medegefinancierd door het Fonds Slachtofferhulp. Dit onderzoek is uniek omdat hulp aan nabestaanden van moord nog niet eerder systematisch op deze wijze is onderzocht.

Redactie

Afdeling Communicatie / Postbus 72, 9700 AB Groningen / 050-363 44 44 / communicatie@rug.nl / www.rug.nl

Rijksuniversiteit Groningen

De Rijksuniversiteit Groningen behoort tot de top van de Europese research-universiteiten en is internationaal georiënteerd. De universiteit is maatschappelijk actief en voelt zich betrokken bij haar omgeving. Talent, ambitie en prestatie van de 27.000 studenten en 5.500 medewerkers worden waar mogelijk gehonoreerd.


Onderzoek Universiteit Tilburg: Antony Pemberton & Suzan van der Aa zie de bijlage.


2e Kamer wil af van gedwongen bezoekjes in de cel

Kinderen, van wie de moeder wordt vermoord door de vader of andersom, moeten soms verplicht op visite bij de dader. Een meerderheid van de Tweede Kamer wil van die dwang af. Grootmoeder Janny de Jongh ziet met lede ogen aan dat haar kleinkinderen de moordenaar van hun moeder bezoeken in een tbs-kliniek. Vreselijk. Je weet niet wat het later met de kinderen gaat doen.

Al een maand na de moord op de dochter van Janny de Jongh moesten haar kleinkinderen op bezoek bij de dader, hun vader. ,,Vreselijk, zegt de oma uit IJmuiden. Het oudste kleinkind was 4 jaar oud, de tweeling 2. ,,Eén van de drie jongens wilde niet, maar het moest van Jeugdzorg. Hun vader heeft het recht om zijn kinderen te zien, zeiden ze.

Nu, negen jaar later, gaan de kinderen nog steeds geregeld naar hun vader. Hij zit inmiddels in een tbs-kliniek. ,,Er wordt niet echt gesproken. Ze spelen een spelletje en drinken limonade. Gelukkig gaat het nu goed met de kinderen, maar je weet niet wat het later met ze gaat doen.

Arend Groot van het Psychotraumacentrum voor Kinderen en Jongeren in Utrecht maakt dit soort verplichte bezoekjes voor kinderen onder de 12 jaar vaker mee. ,,Vaak wordt er in een vroeg stadium door de pleegouders of de gezinsvoogd enorme druk op het kind uitgeoefend om een verplichte omgang op gang te brengen, vertelde hij gisteren tijdens een hoorzitting. Kamerleden hadden hem en andere deskundigen uitgenodigd, nadat grootouders bij hen aan de bel trokken over de verplichte visites.

Volgens Groot is het niet per se slecht als kinderen hun vader in de cel opzoeken. ,,Gedwongen bezoeken kan traumatiserend werken, maar het ontnemen van bezoek ook. Het is heel ingewikkeld. Het belangrijkste is dat kinderen na alles wat er al is gebeurd niet extra getraumatiseerd worden.

Het recht van een vader of moeder op contact met de kinderen staat nu nog te veel centraal, vindt de maatschappelijk werker. Zo maakt hij ook mee dat de gedetineerde ouder toestemming moet geven, voordat er traumahulp kan worden verleend aan het kind.

In de Kamer is geschokt gereageerd op de verplichte bezoekjes. ,,Ik heb grootouders gesproken die hun kind totaal getraumatiseerd terug kregen van een bezoek aan de vader. Dat is van de gekke, zegt CDA-Kamerlid Madeleine van Toorenburg. ,,Het belang van het kind is het enige wat centraal moet staan. Ook als de vader nog een verdachte is en niet is veroordeeld.

VVD-Kamerlid Brigitte van der Burg en PVV-Kamerlid Lilian Helder zijn eveneens tegen gedwongen contact. Helder: ,,Het initiatief moet altijd van het kind komen. Het is natuurlijk lastig als het kind hiervoor nog te jong is. Op dat moment moet het aan de voogd of verzorgende ouder worden overgelaten.

Volgens het ministerie van Justitie staat het belang van het kind nu al voorop. ,,In sommige gevallen kan het juist goed zijn voor het kind om de ouder te bezoeken, zegt een woordvoerder. ,,Bijvoorbeeld voor het zelfbeeld van het kind, dat de genen van zijn ouders heeft. Of om een band op te bouwen voor als de vader of moeder terug komt in de maatschappij.

Volgens Slachtofferhulp Nederland overkomt het jaarlijks zo n zestig kinderen dat hun vader of moeder de ander vermoordt.

AD/Algemeen Dagblad 29 september 2011


Ombudsman Groot Brittannië

De ‘ombudsman’ voor slachtoffers in Groot Brittannië zou goed als voorbeeld kunnen dienen voor Nederland. Deze ombudsman heeft onlangs onderzoek gedaan onder 400 families die nabestaanden van moord zijn.

Een aantal uitkomsten:

Meer dan 80% van de families krijgt te maken met trauma  gerelateerde symptomen
Ongeveer 60% komt in financiële problemen
Bijna 80% van de families moest langer dan 1 maand wachten om hun dierbare te kunnen begraven
Een kwart werd ineens verantwoordelijk voor een of meerdere kinderen
Een kwart raakte volledig uit het arbeidsproces 
De gemiddelde kosten ten gevolge van de moord bedroegen per familie € 43.000,-, aan o.a. uitvaartkosten, reiskosten, juridische kosten.
De meerderheid ontving geen hulp voor deze kosten en sommigen raakten in de schulden.
Link naar onderzoek:
http://www.justice.gov.uk/news/press-releases/victims-com/vc-pressrelease060711a.htm


Het falen van Justitie en de opmerkelijke verzwijgingen in onderzoek naar de dood van Marianne Vaatstra

In het onderzoek naar de moord op Marianne Vaatstra (16) blijken justitie en NFI niets te hebben gedaan met dna dat een ander forensisch lab op het tasje van het meisje ontdekte en dat van de nog altijd niet opgespoorde dader kan zijn.
Het openbaar ministerie in Leeuwarden bevestigde op 17 september 2011 tegenover De Telegraaf dat het NFI de sporen niet nader onderzocht. Vader Bauke Vaatstra was hier nooit van op de hoogte en heeft nu een advocaat in de arm genomen. „We eisen van justitie dat het onderzoek er alsnog komt en stappen anders naar de rechter", zegt Vaatstra’s advocaat Job Knoester.
Alles draait om een gedeeltelijk mannelijk dna-profiel dat het particuliere forensische bureau IFS in Hulshorst in 2006 vond, toen het voor de familie het tasje onderzocht. De tas was naast het lichaam van de in 1999 verkrachte en vermoorde tiener aangetroffen. Officier van justitie Mous beaamt dat het NFI het tasje nooit had bemonsterd en dat het aan de familie was teruggegeven.
De IFS-onderzoekers stelden vast dat de tas hoogstwaarschijnlijk bij de moord is gebruikt. „De dna-sporen op het hengsel doen vermoeden dat mijn dochter ermee is gekneveld en mogelijk gewurgd", zegt Bauke Vaatstra.
IFS is wilde het dna vervolgens vergelijken met dna dat het NFI eerder uit spermasporen op Marianne’s lichaam haalde. Maar het NFI weigerde het profiel aan IFS te verstrekken. Op welke gronden wil het OM niet zeggen. Wel zegt justitie later te hebben ingezien ’dat de tas bij de uitvoering van het misdrijf kan zijn gebruikt’.
Begin 2007 droeg IFS de resultaten en de tas over aan het OM. Vaatstra zegt daarna van justitie te hebben gehoord dat een vergelijking door het NFI uitsloot dat het om dader-dna ging.
Nu blijkt echter dat justitie en NFI niets met de IFS-resultaten deden. „Het tasje was door de familie bewaard en kan gecontamineerd zijn met dna van anderen", zegt het OM. „IFS was toen bovendien nog niet geaccrediteerd. Een betrouwbaar, vergelijkend onderzoek van de door IFS aangetroffen dna-kenmerken was niet mogelijk."
Advocaat Knoester noemt dat onzin. „Justitie weet dat IFS destijds al volop werd ingeschakeld door rechtbanken die hun rapporten overnamen. Het lab bestaat uit ervaren oud-NFI’ers. Marianne’s tasje was alleen in handen van haar ouders, hun dna is uit het spoor te filteren. Dat het NFI niet zoiets simpels als een profielvergelijking wilde uitvoeren, is niet uit te leggen aan de nabestaanden."
Volgens Knoester is het tekenend dat justitie aangeeft de tas wel te laten onderzoeken als een verdachte wordt opgepakt. „Merkwaardig dat het dan wel betrouwbaar is."
IFS-directeur en dna-deskundige Richard Eikelenboom die de sporen op de tas aantrof, vindt het een gemiste kans. „Als de profielen matchen, is dat voor het NFI een bevestiging. Geen match is een reden het dna-onderzoek tegen het licht te houden. Er kan iets mis zijn met het dnaprofiel uit het sperma."


Honderden fouten bij dna-onderzoek

Wat gaat er fout binnen de muren van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) met sporen van een misdrijf? Waarom wordt een moordenaar niet opgespoord terwijl zijn dna-profiel al jaren eerder de databank inging? Hoe kan het dat een dnaspoor van een inbraak ’matcht’ met iemand die onschuldig is en de kraak bewijsbaar niet heeft gezet?

Het NFI, een ’staatslab’ met een absolute monopoliepositie op het gebied van forensisch onderzoek, is nooit transparant over zijn fouten geweest. Tal van excuses om de registraties binnenboord te houden voerde het lab jarenlang aan tijdens een procedure op grond van de wet openbaarheid bestuur die De Telegraaf had aangespannen om de stukken in handen te krijgen. Het NFI verstrekte niet meer dan een slap aftreksel: welgeteld zes pagina’s foutenoverzicht. Pas toen deze krant naar de rechter stapte en won, kwam het NFI vorige maand alsnog met 350 pagina’s over de brug.

Daaruit blijkt dat het NFI van 1997 tot en met 2010 het enorme aantal van ruim 1650 kleine en grote fouten en afwijkingen registreerde, zowel tijdens als na processen bij dna-onderzoek. Ook extern ging het mis: nog eens een honderdtal fouten komt op het conto van vooral technisch rechercheurs of administratief politiepersoneel.

Wat de gevolgen van de NFI-fouten voor onderzoeken waren, laten de overzichten zelden zien. Veel missers zullen zonder nadelig effect zijn hersteld. Maar een ander deel is ongetwijfeld onherstelbaar. Bovendien blijft de vraag hoeveel fouten erdoorheen glipten, die niemand opmerkte. Hoeveel misdadigers gingen daardoor vrijuit? Maar ook: hoeveel mensen zitten daardoor onschuldig achter tralies?

De meest verontrustende labfouten zijn contaminaties: fouten waardoor dna-sporen vermengd raken met ander dna. Het lab registreerde er in veertien jaar liefst 390 (ruim 23 procent van het foutentotaal). In werkelijkheid zijn het er veel meer, omdat tal van meldingen ’meerdere’ contaminaties maar geen precieze getallen benoemen.

Onderzoek naar minuscule dnasporen luistert zo nauw dat die gemakkelijk gecontamineerd raken. Er ontstaat onbedoeld vermenging van bijvoorbeeld dader-dna met dna van een slachtoffer, een NFI-medewerker of van een andere dader. Het NFI laat kennelijk ook buitenstaanders in gevoelige onderzoeksruimten toe; het lab turfde meermalen contaminaties met dna van nota bene bezoekers.

De gevolgen zijn catastrofaal als een contaminatie niet wordt ontdekt. Zelfs als een loepzuiver, volledig dna-profiel van een moordenaar op het stoffelijk overschot van zijn slachtoffer is gevonden, is zijn dna na contaminatie waardeloos. Het is vermengd met ander dna en een profiel met andere dna-kenmerken geworden. Zoeken in de databank met zo’n ’vervuild’ profiel betekent dat de dader de dans ontspringt. Ook als een dader en zijn dna wel bekend zijn, gaat hij in dat geval vrijuit. Ander gevolg: het gecontamineerde dna komt overeen met iemand die niets met het misdrijf te maken heeft. Een dwaling ligt dan op de loer.

Zelfs als het NFI een contaminatie heeft vastgesteld, kan het faliekant mislopen. Dat bleek in de zaak van de ’Wreker van Zuuk’: een onbekende die het Gelderse gehucht terroriseerde door huizen in lichterlaaie te zetten en remleidingen van auto’s door te snijden. Een in 2004 gehouden vergelijking van zijn dna met dat van tientallen bewoners leverde het NFI niets op. Later bleek dat was gezocht met dna waarvan het NFI zelf al in 2001 had vastgesteld dat het gecontamineerd was. Hier was de schade kennelijk blijvend. Het onderzoek werd nooit heropend en de Wreker van Zuuk nooit ontmaskerd, laat staan strafrechtelijk vervolgd.

De overzichten wijzen uit dat er in 2004 tot en met 2007 met 42, 30,5, 29 en respectievelijk 36,5 procent van die jaartotalen schrikbarend veel contaminaties aan de oppervlakte kwamen. Het NFI is geaccrediteerd volgens internationale ISO-kwaliteitsnormen. Jaarlijks houden medewerkers interne audits (controles) en krijgt het lab externe audits door de Raad voor Accreditatie. Richtlijnen verplichten het NFI om dan problemen als contaminaties te melden, te evalueren, gevolgen voor onderzoeken te openbaren én, bij ernstige afwijkingen, opdrachtgevers te informeren. In geen van de audits is dat terug te vinden.

Het is ook de vraag of er genoeg gebeurt om contaminaties te voorkomen. In 2007 bepaalden NFI’ers dat de opslag voor ’stukken van overtuiging’ (moordwapens, kleding of schoenen van slachtoffers en andere voorwerpen vanaf plaatsen delict) overvol was. Niets staat in de auditverslagen over het risico op contaminatie dat dit opleverde. Problemen waren er tevens bij het opslaan van dna van verdachten en slachtoffers. Opnieuw geen woord over de hoge contaminatiekans. Saillant is dat NFI’ers tot vorig jaar nog in één ruimte gelijktijdig tests deden op sporen van zowel verdachten als slachtoffers.

Dramatische gevolgen voor het opsporen en berechten van verdachten ontstaan eveneens na het verwisselen van dnamonsters: een fout die het lab de afgelopen veertien jaar bijna 180 keer registreerde. Doordat medewerkers labels verwisselen of een stukje spoor in een verkeerd cupje stoppen, belandt dna van de ene in de andere zaak. Zo kon het gebeuren dat dna van een inbreker ooit opdook in een geweldsmisdrijf dat hij niet pleegde. Hij zat op dat moment namelijk in de bajes.

De grootste categorie zijn ’menselijke fouten’ – met 714 meldingen bijna 43 procent . De fouten variëren van ’verkeerd nummer toegekend aan spoor’, ’verdachte onder verkeerd nummer ingeschreven’ tot ’dna-profiel onterecht in databank’, ’sporen in koelkast in plaats van vriezer’ of ’blad met sporen laten vallen’. Ook onder de noemer ’overige fouten’ (bijna 200 foutmeldingen, 12 procent van het totaal) valt een keur aan missers door mensenhanden.

Bij het NFI raakt van alles zoek. Al eerder berichtte deze krant dat sporen uit de Puttense moordzaak en de moord op Andrea Luten waren ’verdwenen’. De overzichten bevestigen dat NFI-personeel lang niet altijd zorgvuldig met sporen omspringt en zoekgeraakte dna-profielen, dossiers of zelfs kleding en lichaamsmateriaal van slachtoffers soms niet eens terugvindt. De gevolgen zijn onvermeld, maar laten zich raden. Als het enige, cruciale dnaspoor uit een gruwelmoord weg is, wordt die zaak mogelijk nooit opgelost.

Bepaalde registraties zijn ronduit bizar. Zo dook in 2007 een doos met rommel op. Daarin ’zaakmonsters uit het verleden’ die niet eens waren verwerkt. Of: ’sectiemateriaal (lichaamsdelen) met onduidelijke vermelding’ en ’dozen met sporenmateriaal die werden geopend door een schoonmaker die dacht dat het afval was’. En ook: ’kapotte buisjes met dierenbloed, lekkend op sporen in een vriezer’, ’stof op vriezers dat maalsel van menselijke botten blijkt en contaminatie kan veroorzaken’ of ’verhuizers die zonder begeleiding in en uit de opslag van sporenmateriaal’ lopen.

Het is onvoorstelbaar, maar NFI’ers zitten op het moment suprême nogal eens te dutten. Bijna alle afgelopen jaren werden matches met een dader of spoor gemist en later alsnog gezien en gerapporteerd. In 2008 waren dat er liefst zes, waarvan één hit al vier jaar eerder aan het licht kwam maar toen nooit aan justitie was doorgegeven. Wat de dader in de tussentijd uithaalde, vertellen de registraties niet. Ook in 2006 kwam een match naar voren die al in 2002 was bepaald, maar justitie niet bereikte. Ging de dader al die jaren door met inbreken, verkrachten, wellicht moorden?

Hoewel er in de geanonimiseerde documenten niets over valt te lezen, zijn sommige missers desastreus. Zoals een object waarop haren zaten en dat te vroeg naar de afdeling vingerafdrukken ging. Weg haren, weg mogelijk bewijs. Ander dramatisch voorbeeld: een lichaam werd gedoucht en onderworpen aan een sectie, terwijl NFI-medewerkers het eerst op dna moesten bemonsteren. Dna dat op die manier voorgoed verloren ging.

NFI-personeel werkt ook bepaald niet altijd volgens de procedures, een probleem dat de Raad voor Accreditatie vorig jaar vaststelde maar steeds weer vooruit schoof. In juli van dat jaar bleek tevens dat het lab dna-profielen interpreteerde volgens een document dat niet eens meer bestaat. Dat terwijl de interpretatie van dna-sporen cruciaal is voor de schuldvraag.

Fouten door technische mankementen (116 maal, krap 7 procent) komen het minst vaak voor. Dat betekent niet dat ze niet ernstig kunnen zijn. Zo heeft het NFI regelmatig problemen met het ijken van robotapparatuur. Vraag is hoe betrouwbaar dna-resultaten dan zijn. Omdat bij ’bulkonderzoeken’ zoals inbraken fabrieksmatig wordt gewerkt, treden seriematige fouten op. Als in een serie dna-monsters alles één plekje opschuift, wordt een reeks daders onterecht uitgesloten.

Het NFI voerde blijkens de stukken een veertigtal verbeterpunten in, bovendien kreeg het tientallen positieve reacties. Maar veel cruciale en mogelijk kritische documenten ontbreken in de verstrekte registraties. Van sommige verslagen kreeg deze krant slechts enkele van soms tientallen pagina’s. Talloze passages lijken bovendien onterecht onleesbaar gemaakt.

En waar zijn de grote en bekende missers? Er staat niets in de audits over dwalingen als de Puttense moordzaak of de Schiedammer Parkmoord waaraan dna-onderzoek te pas kwam. Werden die zaken niet geëvalueerd? Waren er gevolgen voor de accreditatie van het NFI?

Niets is vermeld over het Brabantse meisje Denise Schouten dat onder verdachte omstandigheden overleed: haar hart werd in de laboratoria nota bene verwisseld met dat van een oude man. Niets is terug te vinden over een NFI-baliemedewerkster die in 2009 door beveiligingssystemen werd gedetecteerd in ruimtes waar zij niet mocht komen. En al evenmin over het dna-profiel van haar, door justitie van een geweldsmisdrijf beschuldigde, vriend dat toen ’zomaar’ in de afvalbakken van het NFI belandde.

Deze krant is opnieuw bij de rechtbank in beroep gegaan en hoopt in de toekomst álle gegevens te krijgen.

Deskundigen noemen het de CSI-mythe en waarschuwen al jaren dat de bewijswaarde van dna in ons land schromelijk wordt overdreven. Niet in de laatste plaats omdat bij dna-onderzoek fouten voorkomen. Het Nederlands Forensisch Instituut, dat sporen van ernstige misdrijven onderzoekt, hield zijn foutenregistraties altijd krampachtig binnenboord. Hoeveel afwijkingen werden daar ontdekt? Wat is de aard van die laboratoriumfouten? Deze krant moest jaren procederen voordat het de cijfers onlangs op last van de rechter in handen kreeg. Een schokkend overzicht. (Zie ook www.telegraaf.nl)

Jolande van der Graaf (De Telegraaf)


„Vaak geen contact met Slachtofferhulp”

18 januari 2011 - Duizenden slachtoffers van een misdrijf lopen onnodig psychische, juridische en andere vormen van hulp mis omdat het computersysteem van de politie niet goed functioneert. Daardoor worden deze slachtoffers niet doorverwezen naar Slachtofferhulp Nederland. Een woordvoerster van Slachtofferhulp Nederland heeft een bericht hierover in het AD bevestigd. Als het goed is, horen slachtoffers van bijvoorbeeld een straatroof, inbraak of geweld bij aangifte op het politiebureau altijd de vraag te krijgen of hun gegevens naar Slachtofferhulp mogen worden gestuurd. Vaak vergeet een agent dat te vragen. In het nieuwe computersysteem van de politie, BVH, staat die hulpvraag standaard op ‘neen’. Daardoor lopen duizenden slachtoffers hulp mis omdat hun gegevens niet bij Slachtofferhulp Nederland terechtkomen. De organisatie wil dan ook dat het BHV-computersysteem weer snel waterdicht is. Volgens Slachtofferhulp is contact vaak belangrijk, al is het alleen maar om slachtoffers gerust te stellen. „Niet elke overval leidt tot psychische gevolgen. Wel is het goed dat we mensen kunnen helpen bij het verhalen van schade of het geven van juridische ondersteuning.”

   

Minke van de Ven- de Jong

'Nabestaanden moord effectiever helpen'

Nabestaanden van slachtoffers van moord hebben vaak te maken met posttraumatische stress. De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) gaat onderzoeken of deze mensen beter en effectiever kunnen worden geholpen, zodat ze minder last hebben van bijvoorbeeld slapeloosheid en concentratieproblemen. De RUG doet het onderzoek samen met Fonds Slachtofferhulp, zo is dinsdag bekendgemaakt. De eerste resultaten worden over ongeveer twee jaar verwacht. „Hulpverleners zijn vaak huiverig om met nabestaanden van slachtoffers van moord om te gaan. Met ons onderzoek kunnen we mensen gericht opleiden om deze mensen te begeleiden”, zegt projectleider Jos de Keijser. Hij deed eerder onder meer onderzoek naar nabestaanden van mensen die zelfmoord hebben gepleegd. „Bij gerichte begeleiding hebben ze op lange termijn minder last van symptomen als slapeloosheid en concentratieproblemen.” De Keijser benadrukt dat begeleiding alleen de klachten wat minder kan maken. „Het leven van mensen die met moord te maken hebben, verandert sowieso drastisch. Daar helpt geen therapie tegen.” De Keijser gaat ook onderzoek doen naar wraakgevoelens van nabestaanden. Daar is wereldwijd nog nauwelijks onderzoek naar gedaan. In Nederland worden gemiddeld 130 mensen per jaar vermoord. Het gaat in de meeste gevallen om moord in de relationele sfeer.

 

Vrouwenbrein en Stress

.PDF  bestand

Ingezonden door: Minke van de Ven - de Jong

 

ADHD - Relatine - Concerta - Strattera

http://blog.seniorennet.be/rilatine/

Ingezonden door: Minke van de Ven - de Jong

 

Nieuwe risicogroep aan het licht na onderzoek familiedrama’s.

’Dader hoopt relatie met slachtoffer voort te kunnen zetten, zelfs ná de dood.’ Gezinsdrama’s, waarbij de dader eerst veelal de (ex-)partner en daarna zijn kinderen ombrengt en vervolgens de hand aan zichzelf slaat, zorgen voor veel maatschappelijke onrust. Het aantal gevallen blijft evenwel tamelijk constant. Dit blijkt uit het proefschrift ’Zelfdoding na doding. Een empirische analyse’ van criminologe Marieke Liem, die er vandaag in Utrecht op promoveert.
Het zijn afschuwelijke zaken zoals onlangs in Amsterdam en Baexem. Doorgaans mannen die moorden plegen en daarna zichzelf de dood injagen. Wat achterblijft is de verbijstering en vragen, héél veel vragen. Criminologe Marieke Liem hoopt wat van die vragen te beantwoorden.
Woonwijk IJburg in Amsterdam was afgelopen weekeinde het toneel van het zoveelste familiedrama. Een tweejarige peuter werd zo ernstig verwond, dat het meisje spoedoperaties moest ondergaan en dagenlang knokte voor haar leven. De 33-jarige vader sloeg de hand aan zichzelf en overleed kort nadat hij door de politie in de woning aan de Diemerparklaan werd gevonden.
Bij een ander familiedrama in het Limburgse Baexem werd de 8-jarige Soukaine gedood en haar 10-jarige broertje Soufian zwaargewond bij een geweldsexplosie van hun 39jarige vader. Door een briefje met daarop ’help’ naar buiten te duwen door de brievenbus attendeerde de zwaargewonde Soufian zijn buren op het drama dat zich even daarvoor in zijn ouderlijke woning had afgespeeld. Daar had zijn vader Faddel H. (39) zijn beide kinderen met een mes de hals doorgesneden. Dit nadat zijn vrouw twee weken geleden de woning had verlaten vanwege ernstige relatieproblemen.
Het was niet verbazingwekkend geweest als ook Faddel H. zichzelf van het leven had beroofd, aldus criminologe Marieke Liem, die zich heeft verdiept in dergelijke familiedrama’s. Haar belangrijkste conclusies: voor sommige daders is doding en daarna zelfdoding de enige uitweg uit hun problemen. „Ongeveer vier procent van alle dodingen in Nederland eindigt in een zelfdoding van de dader. Doding gevolgd door zelfdoding van de dader maakt in Nederland jaarlijks ongeveer negen slachtoffers. Tussen 1992 en 2006 is er geen toename of afname in dit aantal te constateren. Uit mijn onderzoek blijkt dat het merendeel van de dodingen wordt gepleegd met een vuurwapen. De karakteristieken van doding-zelfdoding in Nederland komen overeen met bevindingen in andere landen: vrouwen en kinderen zijn de meest voorkomende slachtoffers in doding-zelfdodingzaken, mannen de meest voorkomende daders”, aldus Liem.
De onderzoekster maakt onderscheid tussen drie soorten familiale moordenaars/zelfmoordenaars: „Bij de eerste groep daders doden hun slachtoffers vanuit de overtuiging dat die debet zijn aan de situatie waarin zij verkeren. De zelfdoding volgt uit een gevoel van schuld, schaamte of de wens met het slachtoffer herenigd te worden. Bij de tweede groep neemt de dader zijn slachtoffers mee in zijn dood, om zo de band voort te zetten.”
Uit Liems onderzoek komt een derde, niet eerder in de wetenschap gedefinieerde groep naar voren, waarbij doding-zelfdoding door de dader als enige oplossing voor de bestaande problematiek wordt gezien. Een soort waanzinnige ’totaaloplossing’: „Dit type dodingen kan worden verklaard door factoren als behoud van controle over de situatie, behoud van afhankelijkheid en dreiging tot verlies van identiteit.”
Bij deze laatste groep kan de doding-zelfdoding door de dader volgens Liem worden verklaard „vanuit een dwangmatige controle over de situatie en de wens tot behoud van de wederzijdse afhankelijkheid met de slachtoffers”. Kortom: de ziekelijke gedachte dat ’als we allemaal samen dood zijn, het allemaal beter wordt’.
Liem: „Door zijn wanhoopsdaad denkt de dader in deze derde groep een ’totale oplossing’ voor zijn problemen te vinden. Hij gaat over tot de doding-zelfdoding uit de overtuiging dat er geen alternatieven zijn. In elk van de drie groepen speelt de afhankelijkheid tussen dader en slachtoffer een doorslaggevende rol: door de combinatie doding-zelfdoding hoopt de dader de relatie met het slachtoffer voort te kunnen zetten, zelfs ná de dood.”
Door Bart Olmer (De Telegraaf)


Door intieme relaties eerder in de fout. 

Hoe beter de kwaliteit van leven, hoe minder draaideurcriminelen. Dat is kortweg de conclusie van het promotieonderzoek van Yvonne Bouman, werkzaam bij de Pompestichting in Nijmegen. ‘Maar intieme relaties vormen een bron van spanning, waardoor forensische patiënten eerder in de fout gaan’, zo luidt haar opmerkelijke bevinding.

Vanwaar uw speurtocht naar een mogelijke relatie tussen welzijn en criminaliteit?
‘Sommige criminologische theorieën, zoals Ward’s Good lives model suggereren zo’n verband. Bij behandelaars van ambulante forensische patiënten leven eveneens allerlei veronderstellingen in de trant van: “Iemand die goed in zijn vel zit, heeft iets te verliezen en zal minder snel geneigd zijn in de fout te gaan.” Ik ben nagegaan of dat verband tussen kwaliteit van leven en crimineel gedrag – waarvoor ondermeer gebruik is gemaakt van justitiële data – kan worden aangetoond. Dat blijkt het geval. Met die bevinding kunnen behandelaars hun voordeel doen door meer nadruk te leggen op levensomstandigheden. In de algemene psychiatrie gebeurt dat al. De forensische psychiatrie loopt hierbij tien jaar achter, maar ook in die setting blijkt kwaliteit van leven een belangrijke graadmeter voor behandelsucces.’

Over welke aspecten van kwaliteit van leven praten we?
‘Als de relaties op het werk goed zijn, kan dat beschermen tegen delictgedrag. Als mensen een doel hebben in het leven, tevreden zijn over hun woonsituatie, hun financiële situatie en hun gezondheid, of binding hebben met een religieuze gemeenschap, blijven ze vaker op het rechte pad. Opvallend is ook dat gestructureerde vrijetijdsbesteding en lidmaatschap van een sportclub voor deze groep patiënten met een persoonlijkheidsstoornis heel effectief kan zijn.’

Het hebben van een ‘wijf’ werkt echter averechts. Hoezo?
‘Die uitkomst is opmerkelijk, omdat vaak wordt gedacht dat het hebben van een vaste relatie structuur biedt en mensen in het gareel houdt. Voor deze groep patiënten gaat kennelijk eerder het tegenovergestelde op. In mijn onderzoek begaat 58,3 procent van de hoogrisicopatiënten met een vaste partner een vermogensdelict. Voor lotgenoten zonder vaste partner ligt dat percentage op 9,1 procent. Samenwonen met vrienden of familie laat een soortgelijk patroon zien. Twintig procent van de singles pleegt in de onderzochte periode een geweldsdelict. Hoogrisicopatiënten die samenwonen met vrienden of verwanten pieken op 61,5 procent. Significante verschillen die mogelijk verklaard kunnen worden uit de persoonlijkheidsstoornis. We weten dat mensen met dit type stoornis veelal moeite hebben met intieme relaties. Die kunnen een bron van spanning vormen, waardoor iemand in de fout gaat. Overigens werken goede sociale contacten met bijvoorbeeld een baas of collegae op het werk wél beschermend. Daar is geen sprake van benauwende intimiteit.’
 
U bepleit een evenwichtige behandeling, mede gericht op het versterken van potentieel beschermende factoren. Krijgt u daarvoor de handen op elkaar?
‘Het maatschappelijk klimaat zit niet echt mee. De roep om een repressieve, harde aanpak klinkt alom. Op behandelingen en nazorgprogramma’s wordt bezuinigd, maar behandelaars houden stug vol om waar mogelijk verbeteringen te realiseren. De forensische psychiatrie kan onmogelijk zorgen voor nul delicten, maar kan wel zorgen voor een vermindering. Op dit moment is in de instellingen de belangstelling voor beschermende factoren in de behandeling groeiende. De resultaten lijken positief.’

Onderzoek naar verbetering van de behandeling van ambulante forensische patiënten is schaars. Waarom?
‘Het is natuurlijk niet de makkelijkste categorie mensen om te benaderen. Van de 241 personen die voor mijn onderzoek zijn geselecteerd, hebben er in de eerste interviewronde 135 meegedaan en in de tweede ronde 102. Dat is een mooie score. Daarnaast werkt ook een normatieve gedachte remmend. Je hebt het toch over mensen die een delict hebben gepleegd en in hoeverre wil je daar met een positieve insteek mee aan de slag?                                                                                                           

Wat zegt u tegen mensen die u naïef optimisme verwijten?
We weten dat alleen straffen geen zoden aan de dijk zet. Toch willen we de criminaliteit waar mogelijk terug dringen. Dat lijkt beter te lukken door in de behandeling een twee sporenbeleid te volgen en ook te kijken naar positieve factoren. Dat komt ook de relatie met de therapeut en het behandelverloop ten goede. Behandel-effectstudies moeten uitwijzen in hoeverre zo’n positieve benadering werkt. Dit alles loont de moeite, want elke misdaad die we kunnen voorkomen telt.’

Yvonne Bouman promoveerde op 10 december 2009 aan de Universiteit Maastricht op het proefschrift Kwaliteit van leven en criminele recidive bij ambulante forensische patiënten met een persoonlijkheidsstoornis.

 

Yvonne Bouman


Leemten in de slachtofferhulpverlening

 

Resultaten van een verkennend, kwalitatief onderzoek onder verschillende categorieën gedupeerden van ingrijpende gebeurtenissen door Prof. dr. J.J.M. van Dijk en Drs. F. van Mierlo. Slachtoffers moeten lijden als Jezus: vrijwillig, vergevingsgezind en vrij van wraak. Mondigheid leidt al snel tot argwaan. Door slachtoffers de schuld te geven van hun lot, stellen we onszelf gerust, meent victimoloog Jan van Dijk.

 

Slachtoffers zijn opmerkelijk mild over hun daders’

 

Grondlegger van Slachtofferhulp Victimoloog Jan van Dijk (Amsterdam, 1947) is een van de grondleggers van de Nederlandse victimologie en van Slachtofferhulp Nederland. Deze organisatie heeft 1500 vrijwilligers en 300 beroepskrachten die praktische, juridische en emotionele steun verlenen aan gedupeerden.

 

Hij werkte eerder bij het ministerie van justitie, bij de Universiteit Leiden en bij een instituut voor misdaadonderzoek van de Verenigde Naties. Momenteel bekleedt hij de Pieter van Vollenhoven leerstoel aan de Universiteit van Tilburg en geeft hij les aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.

 

Hij is ook de maker van de gerenommeerde World Atlas of Crime, waarin hij de georganiseerde misdaad wereldwijd in kaart bracht, en waarvoor hij een hoge Amerikaanse onderscheiding kreeg.

 

Toen op 3 mei 2007 de driejarige Madeleine McCann tijdens een vakantie in Portugal verdwenen was, benaderden haar ouders direct de media met persconferenties en interviews. Zij vroegen alle aandacht voor het drama dat hen was overkomen. Maar het duurde niet lang of de ouders stonden zelf in de beklaagdenbank. De Portugese politie beschouwde hen als verdachten en in de kranten verschenen speculaties over Maddie’s DNA in de kofferbak van hun auto. Nooit werd er enig bewijs tegen hen gevonden. De Portugese politie heeft inmiddels excuses aangeboden.

 

De ouders McCann zijn niet de enigen die deze wonderbaarlijke verandering van slachtoffer in verdachte ondergingen. De Oostenrijkse Natascha Kampusch, die acht jaar in een kelder was opgesloten, zou daar niet onvrijwillig hebben gezeten, beweerden talloze kranten enkele weken na haar bevrijding. En dan waren daar de geruchten over incest. Haar moeder zou haar aan haar ontvoerder hebben overgeleverd.

 

Dergelijke beschuldigingen komen heel vaak voor bij slachtoffers van misdrijven die zich niet zwak en zielig voordoen, zegt victimoloog Jan van Dijk. „De ouders McCann zochten zelf de pers, omdat ze, terecht, geen vertrouwen in de Portugese politie hadden. Dat was onmiddellijk verdacht. Natascha had ook veel te veel praatjes voor een slachtoffer. Hoe kon een meisje dat jaren in een kelder opgesloten had gezeten op televisie zulke goede interviews geven? Daar moest iets aan de hand zijn. Slachtoffers in de beklaagdenbank, dat gaat erin als koek.”

 

Jan van Dijk (geb.1947) houdt zich al zijn hele werkzame leven bezig met de positie van slachtoffers in het strafrecht en in de samenleving. Lange tijd was hij een van de weinigen in Nederland. Terwijl er voor daders van oudsher van alles werd gedaan om hen na gevangenschap in de maatschappij terug te brengen, werden slachtoffers vergeten. Ze kregen geen hulp of schadevergoeding, waren geen partij in een rechtszaak, kregen geen informatie over tijdstip van vrijlating van de dader, mochten geen uitspraak doen over de strafmaat. Tot Van Dijk in 1984 Slachtofferhulp Nederland opzette, gebeurde er niets voor deze groep gedupeerden. De situatie is verbeterd, maar nog steeds ontberen slachtoffers volgens hem elementaire steun en rechten. Van Dijk vraagt zich al lang af waarom vrijwel niemand zich om slachtoffers bekommert. „Ik denk dat er een onbewuste neiging is om mensen te mijden die door het lot getroffen zijn, of het nu om een ernstige ziekte of een misdrijf gaat. Door slachtoffers de schuld te geven van hun lot, kun je jezelf geruststellen. Het slachtoffer heeft onverstandig geleefd, dat overkomt mij niet, is onze reactie.”

Prof. Jan van Dijk

 

Onlangs schreef Van Dijk het boek ’Slachtoffers als zondebokken’, waarin hij zijn theorieën over de rol van het slachtoffer in de maatschappij verder uitwerkt. Want volgens hem is er meer aan de hand met het begrip slachtoffer. „Het is toch vreemd dat we iemand wiens fiets gestolen wordt slachtoffer noemen. Niemand beseft dat een slachtoffer etymologisch een dood dier op een slachtblok is. Het vreemde is dat alle westerse talen hetzelfde gruwelijke begrip hanteren voor een gedupeerde. In het Engels en Frans stamt het woord af van het Latijnse victima, een dier op een offerblok. Maar ook in het Duits, Servisch en Russisch spreekt men van slachtoffer, in het IJslands zelfs van offerlam. Het offerlam van een fietsendiefstal, dat klinkt toch merkwaardig.

 

„Ik ben gaan onderzoeken wanneer de term voor het eerst voor een mens werd gebruikt en kwam uit bij Johannes Calvijn. In het geloofsboek ’Institutie’ uit 1536 gebruikt hij het woord victima, offerlam, voor Jezus Christus. In de Nederlandse vertaling werd dat slachtoffer. In de Reformatie werd het denken over Jezus als offer voor de mensheid sterk aangezet. En dan zie je eind zeventiende eeuw, als Jezus steeds menselijker is geworden, de term opduiken voor andere gedupeerden van rampen en misdrijven. ”

 

De gevolgen van de verbinding van Christus aan gedupeerden is dat van hen onbewust eenzelfde bovenmenselijke houding gevraagd wordt, meent Van Dijk. „Het bijzondere van Christus is dat Hij vrijwillig lijdt. Daarnaast is Hij vergevingsgezind en geheel vrij van wraakzucht. Dat is in onze cultuur de rolverwachting voorslachtoffers.”

 

Wraak lijkt een aangeboren menselijk instinct. Maar het is in de loop van eeuwen in het Westen een taboe geworden, omdat wraak een ontwrichtende werking op de samenleving heeft. Het zorgt voor ketens van bloed, zoals bijvoorbeeld te zien is in de Griekse tragedie Oresteia – waarin vader Agamemnon dochter Iphigeneia vermoordt en vervolgens door zijn vrouw Klytaemnestra wordt vermoord, die weer wordt vermoord door hun zoon Orestes. De schrijver Aischylos laat de wraak eindigen bij een oordeel van de rechtbank. In de bijbel eindigt de traditie van wraak bij het laatste mensenoffer. De geofferde Christus vergeeft zijn beulen en beëindigt zo definitief de cyclus van geweld.

 

Deze houding vragen wij nu van de gedupeerden van misdrijven, stelt Van Dijk. Het achteloze gebruik van de term slachtoffer werkt dat in de hand.

 

Het wraakmotief zien we nog terug in bepaalde B-films, maar in de nette cultuur komen we het nauwelijks tegen. Bij moslims bestaat het wel – de eerwraak is regelmatig in de belangstelling – maar het gaat Van Dijk te ver om te zeggen dat de islam de godsdienst van de wraak is. „Voor de islam is vergeven geen gebod, maar wel prijzenswaardig. Bovendien, ieder mens heeft naast wraakzucht ook de wil om zich met de tegenstander te verzoenen.”

 

Sterker nog, slachtoffers zijn vaak opmerkelijk mild tegenover hun daders. De gedachte dat een slachtoffer de dader zwaar gestraft wil zien, klopt niet. Van Dijk: „Ik ben elke keer verrast om te merken hoe reëel slachtoffers praten over hun dader. Het lijkt wel of ze door hun eigen leed gevoeliger zijn voor het leed van de dader. Sommigen lopen rond met wraakplannen. Ze willen dan bijvoorbeeld een pistool kopen om de dader te doden. Maar bijna nooit wordt dat pistool echt gekocht.”

 

Het is dan ook onnodig paternalistisch om te willen dat slachtoffers zich willoos door de overheid laten vertegenwoordigen in de rechtszaal, vindt Van Dijk. Angst voor wraak is overdreven, want wraakzucht blijkt tegenwoordig, net als seksualiteit, een instinct dat over het algemeen heel goed hanteerbaar is en dus niet hoeft te worden onderdrukt.

 

In de jaren negentig is de positie van het slachtoffer binnen het strafrecht al flink verbeterd. Zo kunnen slachtoffers nu gemakkelijker schade verhalen op de dader en mogen ze in de rechtszaal hun kant van de zaak laten horen. Maar nu zit de slachtofferbeweging aan haar plafond. Van Dijk merkt dat hoogleraren, rechters en officieren van justitie nog altijd grote moeite hebben met de nieuwe rechten van slachtoffers. „Daar heb je hem weer, zie ik ze denken als ik over de rechten van slachtoffers begin. Het strafrecht is een zaak tussen de staat en de dader, zo kijkt men er tegenaan. Ook zijn rechters en officieren van justitie bang voor toestanden tijdens de zittingen als de slachtoffers aan het woord mogen komen.”

 

Slachtoffers mogen nu wel tijdens de rechtszaak praten over het leed dat hun is aangedaan, maar niet zeggen dat ze daarom vinden dat de dader in de gevangenis moet. Dat wordt afgehamerd. In België mogen slachtoffers zeggen welke voorwaarden ze opgelegd willen zien, bijvoorbeeld dat de buurman die het dochtertje seksueel misbruikt heeft, niet meer in dezelfde straat mag wonen. Ze horen ook wanneer hij weer vrij komt. In Nederland zie je hem plotseling weer voor je neus staan. Het slachtoffer moet maar vergeven. Ik vind maatschappelijke terugkeer van de dader ook van grote waarde, maar het mag niet ten koste gaan van het slachtoffer.”

 

Toch is Van Dijk niet pessimistisch. Met kleine stapjes gaat de positie van het slachtoffer vooruit. In sommige landen ziet hij de term slachtoffer zelfs al verdwijnen. In de Verenigde Staten spreekt men consequent van survivors of rape (verkrachtingsoverlevers), in IJsland is de term offerlam vervangen. In Nederland pleit hij voor de term gedupeerde.

 

Wat maakt dat uit? Van Dijk: „Ik geloof dat symbolen erg belangrijk zijn vanwege het waardensysteem dat erachter zit. ”

Slachtoffers als zondebokken, J.J.M. van Dijk, uitgeverij Maklu-uitgevers, isbn 978 90 466 0146 4, E 22,95. Sandra Kooke Copyright: Trouw


 

Een kritische kijk op de praktijk van de psychiatrie!

Dwangmedicatie 2011

Psychiaters hebben het zo goed als voor elkaar gekregen om de toepassing van dwangmedicatie in 2011 aanzienlijk te verruimen zodat bijvoorbeeld ook een “gevaar agressie uit te lokken van anderen” een reden is om mensen onder dwang met antipsychotica te behandelen.

Waarom hersenmedicijnen toedienen?

Sociale controle is een noodzaak. Wanneer een mens doordraait of een potentieel gevaar vormt door omstandigheden dan is het nodig om in te kunnen grijpen, en soms is dat bijzonder lastig omdat het juridische systeem gebaseerd is op het principe “geen schuld geen misdrijf“. Preventieve maatregelen toepassen ten behoeve van de sociale controle of veiligheid zijn dus lastig.

De psychiatrie biedt hierin uitkomst. Op basis van een hardnekkig beschermde en in stand gehouden medische dogma kunnen overlastgevende mensen of mensen die door omstandigheden of veronderstellingen een potentieel risico vormen voor bijvoorbeeld “de openbare orde” acuut worden opgesloten door een ‘onmeetbare hersenziekte’ bij ze te diagnosticeren en ze omwille van de veiligheid ‘medisch verantwoord’ te laten behandelen.

De behandeling kan bestaan uit (jaren achtereen) isoleercel en dwangmatige injecties met antipsychotica, een middel dat het leven met gemiddeld 30 jaar verkort en die de kans op herstel van eventuele psychische problemen vermindert. Het legt de persoon lam: sociale controle verzekerd.

Het vormt zowaar de enige mogelijke te bedenken ethische verantwoording voor het bestaan van het beroep psychiater, en mogelijk ook de reden dat de corruptie binnen de professie op zo’n grote schaal kan floreren onder het toeziend oog van de overheid die er juist is om mensen te beschermen.

De psychiater is vrijwel almachtig binnen de wet en een manier om zijn macht te verzekeren en te behouden is door de afhankelijkheid van de professie te vergroten. Dit streven is te herkennen in het feit dat inmiddels meer dan 1 miljoen mensen in Nederland dagelijks antidepressiva slikken die volgens hoogleraren de kans op zelfmoord verdubbelen en kunnen aanzetten tot agressief gedrag en moord: http://www.depers.nl/wetenschap/86562/Met-Ritalin-eerder-aan-drugs.html

De antipsychotica creëert tijdbommen van mensen die bij onthouding ontploffen doordat mensen terugklappen in de meest verschrikkelijke psychose wanneer zij proberen te stoppen.

http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/14728997

Het resultaat: steeds meer crimineel gedrag en sociale problemen waarvoor de psychiatrie ‘nodig’ is.

Het ‘noodzakelijke kwaad’ dat de psychiatrie aanbiedt als oplossing voor het verzekeren van sociale controle is in werkelijkheid niets minder dan een verbond met de duivel waarbij je op de lange termijn meer inlevert dan je er op de korte termijn voor krijgt.

Is de psychiatrie nodig? Is het nodig om een nep-arts te gebruiken voor sociale controle? Ik denk van niet. Want wie zal er gekeerd zijn tegen preventieve maatregelen ten gunste van de maatschappelijke veiligheid die worden doorgevoerd op basis van democratisch besluit? Een nep-arts gebruiken en mensen voorliegen is m.i. in geen geval nodig en leidt alleen maar tot een verslechtering van de sociale normen en waarden in de samenleving. In Rusland hebben ze het volgende gezegde dat hierop van toepassing is: “A fish rots from the top down”

De beginselenwetten die van toepassing zijn op gedetineerden in de gevangenis, jeugdgevangenis en tbs-inrichtingen ondergaan op korte termijn drastische wijzigingen. Daardoor dreigt de toepassing van dwangbehandeling voor gevangenen – in de praktijk meestal dwangmedicatie – een enorme vlucht te nemen.

Het oorspronkelijke gevaarscriterium dat van toepassing was op direct gevaar voor de gedetineerde en zijn omgeving in de detentiesituatie dreigt sterk te worden uitgebreid. Niet alleen direct lichamelijk gevaar, maar ook gevaar voor de psychische gezondheid van anderen, gevaar voor verwaarlozing van anderen, gevaar dat door hinderlijk gedrag bij anderen agressie wordt opgeroepen en gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen komen eronder te vallen. Dwangmedicatie mag in de toekomst bovendien, volgens het nu in de Tweede Kamer voorliggende wetsvoorstel, worden toegepast indien aannemelijk is dat de gevaar veroorzakende stoornis niet op andere wijze binnen een “redelijke termijn” kan worden weggenomen. Naast mensen met psychotische stoornissen kunnen in de toekomst onder anderen ook mensen met ADHD, autismespectrumstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen en verstandelijke handicaps met dwangmedicatie te maken krijgen. Deze dwang kan bovendien ook na het aflopen van de detentieperiode worden toegepast.

Wetswijzigingen

De wetswijzigingen hebben betrekking op de drie Beginselenwetten die van toepassing zijn op de situatie in de gewone gevangenis, de justitiële jeugdinrichtingen (jji) en de forensische psychiatrische centra (“tbs-inrichtingen”). De aanstaande wetgeving past ook in de trend van de laatste jaren waarin de GGZ en Justitie steeds nauwer verweven raken en waarbij er grote aandacht is voor “criminele veelplegers” en veroorzakers van overlast. Binnen de psychiatrische wereld zijn in het laatste decennium veel geluiden te horen waarin gepleit wordt voor verruiming van de mogelijkheden voor dwangbehandeling. De mogelijkheden voor dwang voor niet-gedetineerden zijn sinds 2005 door wijzigingen in de wet BOPZ al uitgebreid. De nu voorliggende wetswijzigingen zijn tot stand gekomen onder verantwoordelijkheid van toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin. Diverse organisaties, waaronder GGZ Nederland en de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) zijn om advies gevraagd. De Nederlandse Orde van Advocaten adviseerde negatief. Dat is niet verbazingwekkend: de rechtspositie van gedetineerden is duidelijk minder dan die van ‘gewone psychiatrische patiënten’ en de vraag is gerechtvaardigd of met de nieuwe wetgeving geen inbreuk wordt gemaakt op de rechten van de mens, zoals die in verdragen zijn vastgelegd.

Ongebreidelde dwang

In de oorspronkelijke Beginselenwet was dwangbehandeling eigenlijk alleen mogelijk in geval van direct gevaar voor de gedetineerde zelf of voor personen in zijn of haar omgeving, al werd dwangmedicatie in een aantal gevallen ook toegepast als dit gevaar niet direct aanwezig was. In de praktijk werd dwang toegepast op mensen die in een (sterk) psychotische toestand verkeerden – met name bij ‘schizofrenie’ – en daarom niet meer aanspreekbaar waren en agressie naar zich zelf toe of bewakers en medegevangenen vertoonden. Dwang was dus niet bedoeld om stoornissen te verhelpen, maar alleen om in noodsituaties kortdurend te worden toegepast. In de nieuwe situatie wordt dit heel anders: er wordt dan veel meer naar de toekomst gekeken en die toekomst strekt zich uit tot mogelijk ver na de detentieperiode. Dit wordt ook al duidelijk uit het sterk uitgebreide gevaarscriterium, in artikel 1 van de wet. Dat omvat naast gevaar voor lichamelijk letsel ook gevaar dat iemand maatschappelijk te gronde gaat, gevaar dat anderen aan zijn of haar zorg toevertrouwd verwaarloosd zullen worden, gevaar voor zelfverwaarlozing en algemeen gevaar voor de veiligheid van personen of goederen.(1) Met dit criterium dreigt al een zeer sterke uitbreiding van de groep mensen die ermee te maken kunnen krijgen, naar bijvoorbeeld mensen die zich excentriek gedragen in de openbare ruimte. Die kunnen immers met geweld te maken krijgen van mensen die zich aan hun excentrieke gedrag storen. Het is echter de omgekeerde wereld om juist de mensen die last hebben van geweldsdreiging aan te pakken. Het lijkt er wel heel sterk op dat beheersbaarheid van de samenleving de doorslaggevende factor aan het worden is in het justitiële beleid. Dit is ook al te zien aan hoe er met daklozen wordt omgegaan: wat overlast betreft wordt er een steeds stringenter beleid gevoerd. De daklozen worden eigenlijk niet meer in het straatbeeld getolereerd. Niettemin vormt deze groep een duidelijk symptoom van de moderne samenleving, waarin een groeiende groep mensen niet meer in staat is om het hoofd boven water te houden. Het lijkt er echter sterk op dat de samenleving van deze feiten wil wegkijken zonder ook maar een kritische blik op zichzelf te willen werpen. Het is ook typerend voor deze tijd dat de oplossing gezocht wordt in dwang in plaats van goede opvang en begeleiding. Daarbij past ook de criminalisering van mensen met psychische problemen. Het is de vraag hoe het gevaarscriterium gaat uitwerken bij toepassing op het gevaar voor bijvoorbeeld goederen. Slaat dit op gevaar voor brandstichting? Slaat dit op veelplegers op het gebied van winkeldiefstal? Of kan dit slaan op politieke activisten die tot de categorie veelplegers worden gerekend? Daar is allemaal geen duidelijkheid over. Wel duidelijk is dat de tolerantie van de samenleving sterk is afgenomen en dat dwang in steeds meer gevallen een optie lijkt te gaan worden. Het gevaarscriterium is echter niet beperkt tot de bovenstaande gevallen. In de Memorie van Toelichting (MvT) (2), een beleidsstuk waarin de wet wordt toegelicht, wordt gesteld dat het in artikel 1 gaat om een “niet-limitatieve opsomming”, oftewel het gevaarscriterium is desgewenst nog naar hartenlust uit te breiden. Dat zet de deur wagenwijd open voor een nog grootschaliger dwang dan zo op het eerste gezicht al mogelijk lijkt.

Dat dwangmedicatie veel makkelijker zal kunnen worden toegepast, komt ook door de invoering van het zogenaamde aannemelijkheidcriterium: volgens dit criterium hoeft het alleen maar aannemelijk te zijn “dat zonder die behandeling het gevaar dat de stoornis van de geestvermogens de verpleegde doet veroorzaken niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen”. Dat lijkt toch een zeer rekbaar criterium.

Zwakke rechtspositie gedetineerde

Volgens de MvT zijn er allerlei zorgvuldigheidseisen en is bijvoorbeeld “proportionaliteit” van belang bij de beslissing om al dan niet dwangbehandeling toe te passen. Ook mag het alleen als ultimum remedium (uiterste middel) worden toegepast, dat wil zeggen als andere methoden niet meer werken. Bij de totstandkoming van vrijwillige behandeling is de inbreng van de gedetineerde echter met de nieuwe wetgeving ook minder geworden: deze behandeling ontstaat niet meer “zoveel mogelijk in overleg met hem”, maar “na overleg met hem”. Het is daarna dus slikken of stikken voor de gedetineerde: bij afwijzen van behandeling op voorwaarden van de behandelaar volgt dwangbehandeling en dat betekent in de meeste gevallen zoals gezegd dwangmedicatie. Dat dit dan in de wet een “ultimum remedium” heet legt weinig gewicht in de schaal. De rechtspositie van de gedetineerde komt zwaar onder druk te staan, nog sterker dan die van ‘reguliere patiënten’ in de GGZ: in tegenstelling met de daar geldende wet BOPZ en haar beoogde vervanger – de wet verplichte GGZ – hoeft voor dwangbehandeling inclusief dwangmedicatie geen rechter ingeschakeld te worden. De directeur van de instelling (tbs-inrichting, gevangenis, jji) besluit hierover, waarbij een verklaring van twee psychiaters (een behandelende en een niet-behandelende) moet worden overlegd waaruit blijkt dat de gedetineerde “gestoord in zijn geestvermogens” is en aannemelijk is dat dit zonder dwangbehandeling niet binnen “een redelijke termijn kan worden weggenomen”. Het ontbreken van de rechterlijke toets kan worden gezien als een aanmerkelijke verslechtering van de rechtspositie van de gedetineerde. Dat de directeur van de instelling beslist houdt een gevaar in van positieve beslissing tot dwangbehandeling op oneigenlijke gronden. Het kan maar al te gemakkelijk worden om dwangmedicatie te geven uit beheersbaarheidoverwegingen. Dit zal alleen maar aantrekkelijker worden wanneer er sprake is van personele onderbezetting op de penitentiaire afdelingen. Om zulke situaties te voorkomen is het invoeren van een rechterlijke toets wel het minste wat je kunt doen om toepassing van dwangmedicatie zoveel mogelijk te beperken. (Los van de meer principiële vraag of dit niet altijd een ontoelaatbare inbreuk vormt op de lichamelijke integriteit). Dat gemakkelijk in automatismen vervallen kan worden blijkt ironisch genoeg uit de manier waarop de MvT de praktijk nota bene onder het nog beperkte gevaarscriterium beschrijft: “Wanneer bijvoorbeeld een tbs gestelde na enkele incidenten medicatie onder dwang krijgt toegediend en daardoor minder agressief gedrag laat zien, wordt voortzetting van de medicatie onder dwang geaccepteerd om zo nieuwe incidenten te voorkomen.”

Meer stoornissen

De sterke uitbreiding van dwang die dreigt, volgt ook uit de enorme toename van stoornissen en psychische problematiek die ermee te maken kunnen krijgen. De MvT zegt over het bereik van het wetsvoorstel: “Het tegengaan van psychotische stoornissen is een belangrijk oogmerk van het onderhavige wetsvoorstel. Niettemin is het wetsvoorstel niet daartoe beperkt. (…) Ook behandeling van andere psychiatrische aandoeningen (die immers vaak in combinatie met psychotische stoornissen voorkomen), valt onder het bereik van dit wetsvoorstel.” Genoemd worden: persoonlijkheidsstoornissen (antisociale, borderline en narcistische stoornissen), psychotische stoornissen, verslavingsproblemen, verstandelijke handicap en autisme spectrum stoornissen. Bij de jeugdigen worden naast psychotische stoornissen genoemd pdd-nos, syndroom van Asperger, ADHD, verstandelijke handicaps, gedragsstoornissen en verslaving. De toelichting zegt er over: “Waar met pedagogische maatregelen onvoldoende kan worden bereikt, kan een (gedwongen) medicamenteuze interventie soms een doorbraak betekenen in het ziekteproces”. Het is uiteraard de vraag of in al deze gevallen een causaal verband tussen de ‘stoornissen’ en het gevaar kan worden aangetoond. Er is bovendien veel kritiek mogelijk op de diagnoses, die volgen uit de categoriale indeling van de DSM IV, het handboek waarin alle psychiatrische stoornissen worden vermeld. Een dimensionale benadering waarbij ‘gestoord gedrag’ slechts in kwantitatief opzicht – en niet in kwalitatief opzicht – van ‘normaal gedrag’ verschilt doet meer recht aan de werkelijkheid: wie om zich heen kijkt ziet overal in de maatschappij mensen met karaktertrekken die behoren tot de categorie persoonlijkheidsstoornissen. Men ziet ‘narcisten’, mensen die de neiging hebben zich terug te trekken, wantrouwige mensen (paranoia) en ‘asocialen’. Meestal zijn deze trekken kennelijk “subklinisch”, want de meesten functioneren redelijk normaal. Het is de vraag waarom deze karaktertrekken bij sommigen ontsporen en bij anderen niet. Daarbij kan weliswaar een aangeboren kwetsbaarheid een rol spelen, maar er zou veel meer oog voor de omgevingsfactoren en maatschappelijke omstandigheden moeten zijn. Volgens sommigen (waaronder psychiaters) ‘bestaan’ de stoornissen uit de DSM IV niet eens en is het alleen zinvol om naar symptomen te kijken en die te behandelen. Er is zeker veel voor te zeggen om ADHD, pdd-nos en het syndroom van Asperger niet als een psychiatrische stoornis te zien, maar als atypisch gedrag of een atypische manier van denken en informatie verwerken.

De psychiater M.R.A. Santana (3) noemt autisme spectrum stoornissen (ASS) en ADHD neurobiologische stoornissen. Bij ADHD zou de prefrontale cortex niet goed functioneren door niet goed werken van het dopamine/noradrenaline systeem. Niettemin geeft ook hij aan dat mensen met ADHD dit lang niet altijd als een handicap ervaren, het kan zelfs voordelen hebben in stressvolle situaties. Hij haalt zelfs ADHD expert Hartmann aan, die veronderstelt dat ADHD ooit in een samenleving van jagers-verzamelaars een evolutionair voordeel was. Dit lijkt onder andere samen te hangen met het hebben van een specifieke vorm van het DRD4 gen, wat tot meer exploratief gedrag leidt.(4) In de ingewikkelder samenleving van nu met alle eisen die aan kinderen op school en dergelijke worden gesteld is het voordeel echter veranderd in een nadeel. Helaas vindt Santana desondanks dat medicatie een belangrijke rol dient in te nemen bij de behandeling van ADHD; hij doelt hierbij op stimulantia zoals methylphenidaat (Ritalin, Concerta) en dexamfetamine, en antidepressiva (Strattera, SNRI’s en tricyclische antidepressiva).

Psychologe Laura Batstra hekelt juist de huidige focus binnen de psychiatrie op genetische aanleg en neurotransmitters. Over hyperactieve kinderen zegt ze: “Niet al deze problemen horen thuis in de psychiatrie. De psychiatrie gaat uit van het medisch model: de oorzaak van het probleem wordt gezocht in de aard van het kind en zo wordt het behandeld. Er zijn echter, naast de aanleg van het kind, tal van factoren: ouders, leerkrachten, vriendjes, de buurt, cultuur en maatschappij. Veel ouders en kinderen zijn al een stuk geholpen met meer begrip en tolerantie vanuit hun omgeving.”(5)

ASS wordt neurobiologisch van aard genoemd, maar de toestand die voor 90 procent mensen met een normale tot hoge intelligentie betreft, is zeker niet van dien aard dat de term ‘psychiatrische stoornis’ gerechtvaardigd is. De oorzaken en de uitingsvormen van autisme zijn zo sterk divers van aard dat eenduidige relaties daartussen op dit moment niet mogelijk zijn (en waarschijnlijk zijn de relaties zo complex dat dit nooit het geval zal zijn).

Ondanks de gebrekkige en vaak tegenstrijdige kennis over autisme meent Santana dat behandeling ervan “op experimentele basis” ethisch verantwoord is. Gebruikt worden daarbij volgens hem vooral “moderne antidepressiva en antipsychotica”, al dan niet in combinatie met stimulantia. Dat dergelijke middelen tal van ernstige bijwerkingen kunnen hebben is tegenwoordig algemeen bekend. De psychiater vindt desondanks “dat met name neurobiologische interventies (lees: psychofarmaca) een belangrijke plaats dienen in te nemen bij de behandeling ervan”. Over de toepassing van dwangmedicatie bij gedetineerden met ASS of ADHD schrijft hij: “Mijns inziens biedt de huidige wetgeving te weinig mogelijkheden om tijdens en na detentie en tbs werkzame medicatie onder dwang toe te dienen en is verandering van wetgeving in deze noodzakelijk”.

Bovengenoemde voorbeelden duiden op de sterke focus van de psychiatrie op neurobiologie en erfelijkheid voor wat betreft het begrijpen en behandelen van psychische stoornissen. Daarmee komt ook de nadruk op medicatie te leggen en raken meer psychologische en sociologische benaderingen op de achtergrond. Er is daardoor te weinig oog voor de omstandigheden en hoe die psychiatrische stoornissen kunnen veroorzaken, onderhouden of verergeren. Die omstandigheden zijn in detentie verre van optimaal. Dit wordt in de MvT ook erkend wanneer wordt gesteld: “Het verblijf in detentie is belastend voor een psychiatrische patiënt ”, en: “De bewegingsvrijheid is aanzienlijk beperkter, er zijn veel harde geluiden, uniformen en camera’s. Er is beperkt gelegenheid tot roken en luchten. Hoewel zo goed mogelijk zorg wordt geboden, brengt de detentiesituatie specifieke beperkingen met zich mee die extra belastend kunnen zijn voor psychiatrische patiënten.” De vraag is echter wat er met deze kennis wordt gedaan.

Pandora

De kritiek hierboven vertoont grote overeenkomsten met de kritiek van Stichting Pandora, de stichting die opkomt voor de rechten van psychiatrische patiënten, op vergelijkbare ontwikkelingen binnen de GGZ via de wet verplichte GGZ. De stichting vreest een sterke uitbreiding van het aantal stoornissen dat in aanmerking zal komen voor dwangbehandeling, waar dit voorheen alleen om psychotische stoornissen waaronder schizofrenie ging. Ze bekritiseert de uitbreiding van het schadecriterium (vergelijkbaar met het gevaarscriterium in de Beginselenwetten), waardoor ook psychische, materiële of financiële schade, verstoorde ontwikkeling en maatschappelijke teloorgang eronder komen te vallen: “De open definitie van het criterium ‘schade’ zet de deur open naar uitbreiding van dwang. (…) Duidelijke criteria en afbakeningen ontbreken, de bewijslast van de causaliteit is complex en aanvechtbaar. Waar is de grens?!” (6) De stichting laakt ook de houding van de beroepsorganisaties in de psychiatrie voor wat betreft de rechtspositie van patiënten: “Shockerend vindt Stichting Pandora de opstelling van beroepsorganisaties in de geestelijke gezondheidszorg, KNMG, NVvP, NVVA en GGZ Nederland die kritiek uitoefenen op de ‘tweetrapsraket’ (de commissie adviseert, de rechter beslist) bij de besluitvorming over dwang. Hun pleidooi dat ‘de rechter slechts marginaal zou mogen toetsen’ wijst Stichting Pandora af.

“Das Gesetz nur kann uns Freiheit geben” (“De wet alleen kan ons vrijheid geven”), aldus voormalig minister Hirsch Ballin op de themamiddag Zorg en dwang II, georganiseerd door de ministeries van VWS en Justitie op 14 januari 2009. Vele duizenden mensen zullen dat mogelijk in de toekomst heel anders ervaren.

Adviezen genegeerd

Zoals gebruikelijk bij wetsvoorstellen en -wijzigingen is voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer de Raad van State (RvS) om advies gevraagd. De raad gaf een negatief advies over het uitbreiden van het gevaarscriterium en het invoeren van het aannemelijkheidscriterium en pleit voor invoering van een rechterlijke toets voorafgaand aan dwangbehandeling, zoals ook in de wet BOPZ en de wet verplichte GGZ is opgenomen. “Naar het oordeel van de Raad ziet de zorgplicht van de minister van Justitie tot nu toe op noodzakelijke medische zorg aan gedetineerden en, in het geval van het gedogen van een behandeling, op de afwending van acuut levensgevaar of zelfverminking. Dwangbehandeling die anderszins plaatsvindt, is tot nu toe niet begrepen onder deze zorgplicht. Ook al zou de zorgplicht zo ver strekken dat de nu voorgestelde dwangbehandeling op die grond kan worden gebaseerd, dan neemt dat nog de noodzaak van voorafgaande rechterlijke toetsing niet weg.” (8) Opmerkelijk genoeg werd deze kritiek van de RvS door toenmalig minister Hirsch Ballin in de wind is geslagen.

Op één punt volgt de minister echter wel de aanbevelingen van de raad, namelijk door het ultimum remedium beginsel op te nemen. In de oorspronkelijke wijziging van de Beginselenwetten is niet opgenomen dat de dwangbehandeling alleen als ultimum remedium mag worden toegepast. Dit kan alleen maar een bewuste keuze van de minister zijn geweest, aangezien in de wetsvoorstellen voor de wet verplichte GGZ het ultimum remedium wèl is opgenomen. Het is schokkend om te moeten constateren dat bij voormalig minister Hirsch Ballin de rechten van de gedetineerde zo’n ondergeschikte rol spelen als hieruit naar voren komt.

In het veranderde voorstel is het ultimum remedium beginsel zoals gezegd dus wèl opgenomen. Het komt hier echter in een heel ander licht te staan doordat het is gekoppeld aan het uitgebreide gevaarscriterium en het aannemelijkheidsbeginsel. Het begrip ultimum remedium heeft in de nieuwe situatie niets meer met toepassing van dwang in noodgevallen te maken.

Tweede Kamer

De wetswijzigingen worden op dit moment behandeld in de Tweede Kamer. Voorafgaand aan plenaire behandeling heeft de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie zich er over gebogen.(9) De VVD-fractie heeft geen kritiek op het wetsvoorstel en steunt de insteek om geen rechterlijke toetsing vooraf in de wet op te nemen. Het CDA meent dat de adviezen van de RvS en andere organisaties zorgvuldig en evenwichtig zijn verwerkt in het aangepaste wetsvoorstel en memorie van toelichting. Ze noemen het wetsvoorstel proportioneel, subsidiair en doelmatig en in overeenstemming met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en de Grondwet. De inbreng van de PVV is vrijwel nihil en zonder enige kritische noot. Dat is niet verbazingwekkend, want de partij wil de tbs sowieso afschaffen en vertrouwd voor wat betreft gedetineerden op de heilzame werking van heropvoedingskampen en versobering van de gevangenissen, getuige haar verkiezingsprogramma. Treurig genoeg hebben GroenLinks, D66 en de Partij voor de Dieren volgens het verslag geen enkele inbreng gehad bij de behandeling van het wetsvoorstel in de commissie. De meeste kritiek komt van de SP en de PvdA en in mindere mate van de CU. De SP vraagt zich af wat het in dit verband betekent dat de longstay afdelingen (tbs) en contracten tussen Justitie en de GGZ/tbs-instellingen worden versoberd. Ook vraagt de partij zich af of er geen gevaar dreigt voor toepassing van dwangmedicatie vanwege personeelstekorten en tijdsgebrek. De SP constateert verder ten onterechte “dat respect voor de autonomie van de in de justitiële inrichtingen opgenomen patiënt het uitgangspunt is en blijft”, en dat dwangbehandeling slechts als uiterste middel kan worden ingezet. De SP heeft twijfels bij de afwezigheid van de rechterlijke toets vooraf en vraagt zich daarom af of het wetsvoorstel voldoet aan de eisen van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Ze refereren verder aan een opmerking van de Nederlandse Orde van Advocaten die zich afvraagt in hoeverre “de sterk teruggebrachte hulp en andere voorzieningen in de penitentiaire inrichtingen bijdragen aan het verergeren van de symptomen”. De CU vraagt zich af of het aannemelijkheidcriterium niet veel moeilijker objectiveerbaar is dan het oorspronkelijke gevaarscriterium en vraagt zich af wat de ervaringen op dat gebied zijn bij dwangbehandeling in de GGZ (veranderde wet BOPZ). Verder vragen ze zich af waarom er verschil wordt gemaakt tussen GGZ-patiënten enerzijds, waarbij een rechterlijke toets vooraf noodzakelijk is, en tbs-ers en (jeugd)delinquenten anderzijds. De PvdA vraagt zich af hoe vaak dwangbehandeling naar verwachting zal worden ingezet. Verder hebben ze vragen over dwangmedicatie bij jeugdigen, waarbij ze zich afvragen of er voldoende advies is ingewonnen. Voor wat betreft dwangbehandeling binnen de gevangenis of justitiële jeugdinrichting achten ze de directeur van die instelling niet de aangewezen persoon om te beslissen. De commissieleden zijn bang voor een beslissing op oneigenlijke gronden, en vragen zich af: “Zou een directeur van een penitentiaire inrichting en jji zich, bij zijn afwegingen of overgegaan moet worden tot gedwongen behandeling, kunnen laten leiden door andere belangen?” Ze denken daarbij aan “belangen die een bedrijfsmatige insteek hebben zoals te weinig personeel of te volle cellen op de behandelafdeling”. Al met al is er alleen bij SP en PvdA, en in mindere mate bij de CU, sprake van substantiële kritiek op de voorstellen. De regeringsfracties en de PVV hebben geen enkele kritiek en het ziet er dus vooralsnog naar uit dat dit voorstel ongeschonden door de Tweede Kamer gaat komen. Dat betekent dat vele duizenden mensen mogelijk in de komende jaren de onzalige gevolgen van dwangmedicatie zullen gaan ondervinden. Welke groepen mensen dat zullen zijn staat nog te bezien, maar uit de MvT blijkt dat het naast mensen met een psychose, mensen met een persoonlijkheidsstoornis, autisme, ADHD, geestelijke handicap en een verslaving kunnen zijn. Hierover zijn zeer onterecht door geen van de fracties kritische vragen gesteld. Ook zijn er geen vragen gesteld over de veronderstelde causale verbanden tussen de psychiatrische stoornissen en het gevaarscriterium. De nadere invulling van een aantal van de voorgestelde wijzigingen zal bovendien worden beschreven in een Algemene Maatregel van Bestuur, een maatregel die door de regering kan worden opgesteld zonder democratische controle van Eerste en Tweede Kamer. Het gaat daarbij onder andere om “categorieën van behandelingsmiddelen of -maatregelen (..) die niet mogen worden toegepast” en “regels (..) met betrekking tot de wijze waarop tot toepassing daarvan moet worden besloten”.(1) Deze zaken zijn echter cruciaal voor de mensen die ermee te maken kunnen gaan krijgen – de gedetineerden. Het is daarom onverteerbaar dat deze plannen zo kritiekloos door de Tweede Kamer lijken te gaan komen.

Deze tekst is eerder gepubliceerd op het weblog Zwarte Gal.

Noten

1. Wijzigingen beginselenwetten, document 32337, nr. 2.
2. Memorie van Toelichting bij wijzigingen van beginselenwetten, document 32337, nr. 3.
3. “Als straffen en trainen niet helpt. Over de aanpak van AD(H)D en autismespectrumstoornissen (ASS) in relatie tot strafrechtelijke sancties”,       M.R.A. Santana. In: Ontmoetingen 14, 2008, Voordrachtenreeks van het Lutje Psychiatrisch-Juridisch Gezelschap.
4. “Dopamine D4 receptor (D4DR) exon III polymorphism associated with the human personality trait of novelty seeking”, R.P. Ebstein et al. In: Nature Genetics 12, 1996.
5. “ADHD is geen ziekte”, Joop Bouma. In: Trouw, 14 april 2010.
6. “Open begrippen in Wet Verplichte GGZ kunnen leiden tot misdiagnose en meer dwang”, Stichting Pandora.
7. “Wet Verplichte GGZ: Kanttekeningen Stichting Pandora bij taken en bevoegdheden commissie”, Stichting Pandora.
8. Advies Raad van State en nader rapport, document 32337, nr. 4.
9. Verslag van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, 3 november 2010, document 32337, nr. 5.

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Contact

A.D.S.home

Gastenboek

  Inschrijven

 

 

 

 Onderzoek  013 H   (1a)