| |
|
Archief onderzoek,

Rijksuniversiteit Groningen
/ nummer 185 / 23 november 2010
Start onderzoek naar emotionele
gevolgen van moord
Directe
nabestaanden van slachtoffers van moord krijgen vaak te
maken met posttraumatische stressstoornissen en
gecompliceerde rouw. In Amerika is ervaring opgedaan met
professionele hulp die de gevolgen hiervan kan beperken.
De Rijksuniversiteit Groningen start, met
medefinanciering door het Fonds Slachtofferhulp, een
onderzoek naar de vraag of professionele hulp ook
effectief kan zijn in Nederland.
Het
hulpprogramma heeft als doel posttraumatische stress te
voorkomen bij nabestaanden van slachtoffers van moord en
zal landelijk worden aangeboden. De behandeling aan
nabestaanden bestaat uit psycho-educatie en cognitieve
gedragstherapie. Op indicatie kan dit worden toegespitst
op EMDR (zie:
www.emdr.nl) en/of gezinstherapie. Het onderzoek
richt zich tevens op de wijze waarop nabestaanden omgaan
met de behoefte aan wraak, de manier waarop zij
betekenis geven aan het verlies, het belang van
lotgenotencontact en de rol die het hebben van
veerkracht speelt.
Het onderzoek
is een initiatief van de Rijksuniversiteit Groningen
(RUG) en wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van
de projectleider dr. J. de Keijser en begeleid door
prof. dr. P.J. de Jong (RUG) en dr. P. Boelen
(Universiteit Utrecht). De Vereniging Ouders van een
Vermoord Kind (VOVK) ondersteunt dit onderzoek, is
mede-initiator en participeert in de
begeleidingscommissie. Het onderzoek wordt uitgevoerd
door promovendus mw. drs. M. van Denderen.
Het vierjarige
onderzoek resulteert in een wetenschappelijk onderbouwd
hulpverleningsprogramma en wordt medegefinancierd door
het Fonds Slachtofferhulp. Dit onderzoek is uniek omdat
hulp aan nabestaanden van moord nog niet eerder
systematisch op deze wijze is onderzocht.
Redactie
Afdeling
Communicatie / Postbus 72, 9700 AB Groningen / 050-363
44 44 /
communicatie@rug.nl /
www.rug.nl
Rijksuniversiteit Groningen
De
Rijksuniversiteit Groningen behoort tot de top van de
Europese research-universiteiten en is internationaal
georiënteerd. De universiteit is maatschappelijk actief
en voelt zich betrokken bij haar omgeving. Talent,
ambitie en prestatie van de 27.000 studenten en 5.500
medewerkers worden waar mogelijk gehonoreerd.
Onderzoek Universiteit Tilburg:
Antony Pemberton & Suzan van der Aa
zie de bijlage.
2e Kamer wil af
van gedwongen bezoekjes in de cel
Kinderen,
van wie de moeder wordt vermoord door de vader of andersom, moeten soms
verplicht op visite bij de dader. Een meerderheid van de Tweede Kamer wil van
die dwang af. Grootmoeder Janny de Jongh ziet met lede ogen aan dat haar
kleinkinderen de moordenaar van hun moeder bezoeken in een tbs-kliniek.
Vreselijk. Je weet niet wat het later met de kinderen gaat doen.
Al een maand
na de moord op de dochter van Janny de Jongh moesten haar kleinkinderen op
bezoek bij de dader, hun vader. ,,Vreselijk, zegt de oma uit IJmuiden. Het
oudste kleinkind was 4 jaar oud, de tweeling 2. ,,Eén van de drie jongens wilde
niet, maar het moest van Jeugdzorg. Hun vader heeft het recht om zijn kinderen
te zien, zeiden ze.
Nu, negen
jaar later, gaan de kinderen nog steeds geregeld naar hun vader. Hij zit
inmiddels in een tbs-kliniek. ,,Er wordt niet echt gesproken. Ze spelen een
spelletje en drinken limonade. Gelukkig gaat het nu goed met de kinderen, maar
je weet niet wat het later met ze gaat doen.
Arend Groot
van het Psychotraumacentrum voor Kinderen en Jongeren in Utrecht maakt dit soort
verplichte bezoekjes voor kinderen onder de 12 jaar vaker mee. ,,Vaak wordt er
in een vroeg stadium door de pleegouders of de gezinsvoogd enorme druk op het
kind uitgeoefend om een verplichte omgang op gang te brengen, vertelde hij
gisteren tijdens een hoorzitting. Kamerleden hadden hem en andere deskundigen
uitgenodigd, nadat grootouders bij hen aan de bel trokken over de verplichte
visites.
Volgens
Groot is het niet per se slecht als kinderen hun vader in de cel opzoeken.
,,Gedwongen bezoeken kan traumatiserend werken, maar het ontnemen van bezoek
ook. Het is heel ingewikkeld. Het belangrijkste is dat kinderen na alles wat er
al is gebeurd niet extra getraumatiseerd worden.
Het recht
van een vader of moeder op contact met de kinderen staat nu nog te veel
centraal, vindt de maatschappelijk werker. Zo maakt hij ook mee dat de
gedetineerde ouder toestemming moet geven, voordat er traumahulp kan worden
verleend aan het kind.
In de Kamer
is geschokt gereageerd op de verplichte bezoekjes. ,,Ik heb grootouders
gesproken die hun kind totaal getraumatiseerd terug kregen van een bezoek aan de
vader. Dat is van de gekke, zegt CDA-Kamerlid Madeleine van Toorenburg. ,,Het
belang van het kind is het enige wat centraal moet staan. Ook als de vader nog
een verdachte is en niet is veroordeeld.
VVD-Kamerlid
Brigitte van der Burg en PVV-Kamerlid Lilian Helder zijn eveneens tegen
gedwongen contact. Helder: ,,Het initiatief moet altijd van het kind komen. Het
is natuurlijk lastig als het kind hiervoor nog te jong is. Op dat moment moet
het aan de voogd of verzorgende ouder worden overgelaten.
Volgens het
ministerie van Justitie staat het belang van het kind nu al voorop. ,,In sommige
gevallen kan het juist goed zijn voor het kind om de ouder te bezoeken, zegt een
woordvoerder. ,,Bijvoorbeeld voor het zelfbeeld van het kind, dat de genen van
zijn ouders heeft. Of om een band op te bouwen voor als de vader of moeder terug
komt in de maatschappij.
Volgens
Slachtofferhulp
Nederland overkomt het jaarlijks zo n zestig kinderen dat hun vader of moeder de
ander vermoordt.
AD/Algemeen
Dagblad 29
september 2011
Ombudsman Groot
Brittannië De ‘ombudsman’ voor slachtoffers in
Groot Brittannië zou goed als voorbeeld kunnen dienen voor Nederland. Deze
ombudsman heeft onlangs onderzoek gedaan onder 400 families die nabestaanden van
moord zijn. Een aantal uitkomsten:
Meer dan 80% van de families krijgt te
maken met trauma gerelateerde symptomen
Ongeveer 60% komt in financiële
problemen
Bijna 80% van de families moest langer
dan 1 maand wachten om hun dierbare te kunnen begraven
Een kwart werd ineens verantwoordelijk
voor een of meerdere kinderen
Een kwart raakte volledig uit het
arbeidsproces
De gemiddelde kosten ten gevolge van
de moord bedroegen per familie € 43.000,-, aan o.a. uitvaartkosten, reiskosten,
juridische kosten.
De meerderheid ontving geen hulp voor deze kosten en sommigen raakten in de
schulden.
Link naar
onderzoek:
http://www.justice.gov.uk/news/press-releases/victims-com/vc-pressrelease060711a.htm
Het falen van Justitie en de opmerkelijke
verzwijgingen in onderzoek naar de dood van Marianne
Vaatstra
In het
onderzoek naar
de moord op
Marianne
Vaatstra (16)
blijken justitie
en NFI niets te
hebben gedaan
met dna dat een
ander forensisch
lab op het tasje
van het meisje
ontdekte en dat
van de nog
altijd niet
opgespoorde
dader kan zijn.
Het openbaar
ministerie in
Leeuwarden
bevestigde op 17
september 2011
tegenover De
Telegraaf dat
het NFI de
sporen niet
nader
onderzocht.
Vader Bauke
Vaatstra was
hier nooit van
op de hoogte en
heeft nu een
advocaat in de
arm genomen. „We
eisen van
justitie dat het
onderzoek er
alsnog komt en
stappen anders
naar de
rechter", zegt
Vaatstra’s
advocaat Job
Knoester.
Alles draait om
een gedeeltelijk
mannelijk
dna-profiel dat
het particuliere
forensische
bureau IFS in
Hulshorst in
2006 vond, toen
het voor de
familie het
tasje
onderzocht. De
tas was naast
het lichaam van
de in 1999
verkrachte en
vermoorde tiener
aangetroffen.
Officier van
justitie Mous
beaamt dat het
NFI het tasje
nooit had
bemonsterd en
dat het aan de
familie was
teruggegeven.
De
IFS-onderzoekers
stelden vast dat
de tas
hoogstwaarschijnlijk
bij de moord is
gebruikt. „De
dna-sporen op
het hengsel doen
vermoeden dat
mijn dochter
ermee is
gekneveld en
mogelijk
gewurgd", zegt
Bauke Vaatstra.
IFS is wilde het
dna vervolgens
vergelijken met
dna dat het NFI
eerder uit
spermasporen op
Marianne’s
lichaam haalde.
Maar het NFI
weigerde het
profiel aan IFS
te verstrekken.
Op welke gronden
wil het OM niet
zeggen. Wel zegt
justitie later
te hebben
ingezien ’dat de
tas bij de
uitvoering van
het misdrijf kan
zijn gebruikt’.
Begin 2007 droeg
IFS de
resultaten en de
tas over aan het
OM. Vaatstra
zegt daarna van
justitie te
hebben gehoord
dat een
vergelijking
door het NFI
uitsloot dat het
om dader-dna
ging.
Nu blijkt echter
dat justitie en
NFI niets met de
IFS-resultaten
deden. „Het
tasje was door
de familie
bewaard en kan
gecontamineerd
zijn met dna van
anderen", zegt
het OM. „IFS was
toen bovendien
nog niet
geaccrediteerd.
Een betrouwbaar,
vergelijkend
onderzoek van de
door IFS
aangetroffen
dna-kenmerken
was niet
mogelijk."
Advocaat
Knoester noemt
dat onzin.
„Justitie weet
dat IFS destijds
al volop werd
ingeschakeld
door rechtbanken
die hun
rapporten
overnamen. Het
lab bestaat uit
ervaren
oud-NFI’ers.
Marianne’s tasje
was alleen in
handen van haar
ouders, hun dna
is uit het spoor
te filteren. Dat
het NFI niet
zoiets simpels
als een
profielvergelijking
wilde uitvoeren,
is niet uit te
leggen aan de
nabestaanden."
Volgens Knoester
is het tekenend
dat justitie
aangeeft de tas
wel te laten
onderzoeken als
een verdachte
wordt opgepakt.
„Merkwaardig dat
het dan wel
betrouwbaar is."
IFS-directeur en
dna-deskundige
Richard
Eikelenboom die
de sporen op de
tas aantrof,
vindt het een
gemiste kans.
„Als de
profielen
matchen, is dat
voor het NFI een
bevestiging.
Geen match is
een reden het
dna-onderzoek
tegen het licht
te houden. Er
kan iets mis
zijn met het
dnaprofiel uit
het sperma."
Honderden
fouten bij dna-onderzoek
Wat gaat
er fout binnen de muren van het Nederlands
Forensisch Instituut (NFI) met sporen van een
misdrijf? Waarom wordt een moordenaar niet
opgespoord terwijl zijn dna-profiel al jaren eerder
de databank inging? Hoe kan het dat een dnaspoor van
een inbraak ’matcht’ met iemand die onschuldig is en
de kraak bewijsbaar niet heeft gezet?
Het NFI, een
’staatslab’ met een absolute monopoliepositie op het
gebied van forensisch onderzoek, is nooit
transparant over zijn fouten geweest. Tal van
excuses om de registraties binnenboord te houden
voerde het lab jarenlang aan tijdens een procedure
op grond van de wet openbaarheid bestuur die De
Telegraaf had aangespannen om de stukken in handen
te krijgen. Het NFI verstrekte niet meer dan een
slap aftreksel: welgeteld zes pagina’s
foutenoverzicht. Pas toen deze krant naar de rechter
stapte en won, kwam het NFI vorige maand alsnog met
350 pagina’s over de brug.
Daaruit blijkt dat
het NFI van 1997 tot en met 2010 het enorme aantal
van ruim 1650 kleine en grote fouten en afwijkingen
registreerde, zowel tijdens als na processen bij
dna-onderzoek. Ook extern ging het mis: nog eens een
honderdtal fouten komt op het conto van vooral
technisch rechercheurs of administratief
politiepersoneel.
Wat de gevolgen van
de NFI-fouten voor onderzoeken waren, laten de
overzichten zelden zien. Veel missers zullen zonder
nadelig effect zijn hersteld. Maar een ander deel is
ongetwijfeld onherstelbaar. Bovendien blijft de
vraag hoeveel fouten erdoorheen glipten, die niemand
opmerkte. Hoeveel misdadigers gingen daardoor
vrijuit? Maar ook: hoeveel mensen zitten daardoor
onschuldig achter tralies?
De meest
verontrustende labfouten zijn contaminaties: fouten
waardoor dna-sporen vermengd raken met ander dna.
Het lab registreerde er in veertien jaar liefst 390
(ruim 23 procent van het foutentotaal). In
werkelijkheid zijn het er veel meer, omdat tal van
meldingen ’meerdere’ contaminaties maar geen
precieze getallen benoemen.
Onderzoek naar
minuscule dnasporen luistert zo nauw dat die
gemakkelijk gecontamineerd raken. Er ontstaat
onbedoeld vermenging van bijvoorbeeld dader-dna met
dna van een slachtoffer, een NFI-medewerker of van
een andere dader. Het NFI laat kennelijk ook
buitenstaanders in gevoelige onderzoeksruimten toe;
het lab turfde meermalen contaminaties met dna van
nota bene bezoekers.
De gevolgen zijn
catastrofaal als een contaminatie niet wordt
ontdekt. Zelfs als een loepzuiver, volledig
dna-profiel van een moordenaar op het stoffelijk
overschot van zijn slachtoffer is gevonden, is zijn
dna na contaminatie waardeloos. Het is vermengd met
ander dna en een profiel met andere dna-kenmerken
geworden. Zoeken in de databank met zo’n ’vervuild’
profiel betekent dat de dader de dans ontspringt.
Ook als een dader en zijn dna wel bekend zijn, gaat
hij in dat geval vrijuit. Ander gevolg: het
gecontamineerde dna komt overeen met iemand die
niets met het misdrijf te maken heeft. Een dwaling
ligt dan op de loer.
Zelfs als het NFI een
contaminatie heeft vastgesteld, kan het faliekant
mislopen. Dat bleek in de zaak van de ’Wreker van
Zuuk’: een onbekende die het Gelderse gehucht
terroriseerde door huizen in lichterlaaie te zetten
en remleidingen van auto’s door te snijden. Een in
2004 gehouden vergelijking van zijn dna met dat van
tientallen bewoners leverde het NFI niets op. Later
bleek dat was gezocht met dna waarvan het NFI zelf
al in 2001 had vastgesteld dat het gecontamineerd
was. Hier was de schade kennelijk blijvend. Het
onderzoek werd nooit heropend en de Wreker van Zuuk
nooit ontmaskerd, laat staan strafrechtelijk
vervolgd.
De overzichten wijzen
uit dat er in 2004 tot en met 2007 met 42, 30,5, 29
en respectievelijk 36,5 procent van die jaartotalen
schrikbarend veel contaminaties aan de oppervlakte
kwamen. Het NFI is geaccrediteerd volgens
internationale ISO-kwaliteitsnormen. Jaarlijks
houden medewerkers interne audits (controles) en
krijgt het lab externe audits door de Raad voor
Accreditatie. Richtlijnen verplichten het NFI om dan
problemen als contaminaties te melden, te evalueren,
gevolgen voor onderzoeken te openbaren én, bij
ernstige afwijkingen, opdrachtgevers te informeren.
In geen van de audits is dat terug te vinden.
Het is ook de vraag
of er genoeg gebeurt om contaminaties te voorkomen.
In 2007 bepaalden NFI’ers dat de opslag voor
’stukken van overtuiging’ (moordwapens, kleding of
schoenen van slachtoffers en andere voorwerpen vanaf
plaatsen delict) overvol was. Niets staat in de
auditverslagen over het risico op contaminatie dat
dit opleverde. Problemen waren er tevens bij het
opslaan van dna van verdachten en slachtoffers.
Opnieuw geen woord over de hoge contaminatiekans.
Saillant is dat NFI’ers tot vorig jaar nog in één
ruimte gelijktijdig tests deden op sporen van zowel
verdachten als slachtoffers.
Dramatische gevolgen
voor het opsporen en berechten van verdachten
ontstaan eveneens na het verwisselen van dnamonsters:
een fout die het lab de afgelopen veertien jaar
bijna 180 keer registreerde. Doordat medewerkers
labels verwisselen of een stukje spoor in een
verkeerd cupje stoppen, belandt dna van de ene in de
andere zaak. Zo kon het gebeuren dat dna van een
inbreker ooit opdook in een geweldsmisdrijf dat hij
niet pleegde. Hij zat op dat moment namelijk in de
bajes.
De grootste categorie
zijn ’menselijke fouten’ – met 714 meldingen bijna
43 procent . De fouten variëren van ’verkeerd nummer
toegekend aan spoor’, ’verdachte onder verkeerd
nummer ingeschreven’ tot ’dna-profiel onterecht in
databank’, ’sporen in koelkast in plaats van
vriezer’ of ’blad met sporen laten vallen’. Ook
onder de noemer ’overige fouten’ (bijna 200
foutmeldingen, 12 procent van het totaal) valt een
keur aan missers door mensenhanden.
Bij het NFI raakt van
alles zoek. Al eerder berichtte deze krant dat
sporen uit de Puttense moordzaak en de moord op
Andrea Luten waren ’verdwenen’. De overzichten
bevestigen dat NFI-personeel lang niet altijd
zorgvuldig met sporen omspringt en zoekgeraakte
dna-profielen, dossiers of zelfs kleding en
lichaamsmateriaal van slachtoffers soms niet eens
terugvindt. De gevolgen zijn onvermeld, maar laten
zich raden. Als het enige, cruciale dnaspoor uit een
gruwelmoord weg is, wordt die zaak mogelijk nooit
opgelost.
Bepaalde registraties
zijn ronduit bizar. Zo dook in 2007 een doos met
rommel op. Daarin ’zaakmonsters uit het verleden’
die niet eens waren verwerkt. Of: ’sectiemateriaal
(lichaamsdelen) met onduidelijke vermelding’ en
’dozen met sporenmateriaal die werden geopend door
een schoonmaker die dacht dat het afval was’. En
ook: ’kapotte buisjes met dierenbloed, lekkend op
sporen in een vriezer’, ’stof op vriezers dat
maalsel van menselijke botten blijkt en contaminatie
kan veroorzaken’ of ’verhuizers die zonder
begeleiding in en uit de opslag van sporenmateriaal’
lopen.
Het is
onvoorstelbaar, maar NFI’ers zitten op het moment
suprême nogal eens te dutten. Bijna alle afgelopen
jaren werden matches met een dader of spoor gemist
en later alsnog gezien en gerapporteerd. In 2008
waren dat er liefst zes, waarvan één hit al vier
jaar eerder aan het licht kwam maar toen nooit aan
justitie was doorgegeven. Wat de dader in de
tussentijd uithaalde, vertellen de registraties
niet. Ook in 2006 kwam een match naar voren die al
in 2002 was bepaald, maar justitie niet bereikte.
Ging de dader al die jaren door met inbreken,
verkrachten, wellicht moorden?
Hoewel er in de
geanonimiseerde documenten niets over valt te lezen,
zijn sommige missers desastreus. Zoals een object
waarop haren zaten en dat te vroeg naar de afdeling
vingerafdrukken ging. Weg haren, weg mogelijk
bewijs. Ander dramatisch voorbeeld: een lichaam werd
gedoucht en onderworpen aan een sectie, terwijl
NFI-medewerkers het eerst op dna moesten
bemonsteren. Dna dat op die manier voorgoed verloren
ging.
NFI-personeel werkt
ook bepaald niet altijd volgens de procedures, een
probleem dat de Raad voor Accreditatie vorig jaar
vaststelde maar steeds weer vooruit schoof. In juli
van dat jaar bleek tevens dat het lab dna-profielen
interpreteerde volgens een document dat niet eens
meer bestaat. Dat terwijl de interpretatie van
dna-sporen cruciaal is voor de schuldvraag.
Fouten door
technische mankementen (116 maal, krap 7 procent)
komen het minst vaak voor. Dat betekent niet dat ze
niet ernstig kunnen zijn. Zo heeft het NFI
regelmatig problemen met het ijken van
robotapparatuur. Vraag is hoe betrouwbaar
dna-resultaten dan zijn. Omdat bij ’bulkonderzoeken’
zoals inbraken fabrieksmatig wordt gewerkt, treden
seriematige fouten op. Als in een serie dna-monsters
alles één plekje opschuift, wordt een reeks daders
onterecht uitgesloten.
Het NFI voerde
blijkens de stukken een veertigtal verbeterpunten
in, bovendien kreeg het tientallen positieve
reacties. Maar veel cruciale en mogelijk kritische
documenten ontbreken in de verstrekte registraties.
Van sommige verslagen kreeg deze krant slechts
enkele van soms tientallen pagina’s. Talloze
passages lijken bovendien onterecht onleesbaar
gemaakt.
En waar zijn de grote
en bekende missers? Er staat niets in de audits over
dwalingen als de Puttense moordzaak of de
Schiedammer Parkmoord waaraan dna-onderzoek te pas
kwam. Werden die zaken niet geëvalueerd? Waren er
gevolgen voor de accreditatie van het NFI?
Niets is vermeld over
het Brabantse meisje Denise Schouten dat onder
verdachte omstandigheden overleed: haar hart werd in
de laboratoria nota bene verwisseld met dat van een
oude man. Niets is terug te vinden over een
NFI-baliemedewerkster die in 2009 door
beveiligingssystemen werd gedetecteerd in ruimtes
waar zij niet mocht komen. En al evenmin over het
dna-profiel van haar, door justitie van een
geweldsmisdrijf beschuldigde, vriend dat toen
’zomaar’ in de afvalbakken van het NFI belandde.
Deze krant is opnieuw
bij de rechtbank in beroep gegaan en hoopt in de
toekomst álle gegevens te krijgen.
Deskundigen noemen
het de CSI-mythe en waarschuwen al jaren dat de
bewijswaarde van dna in ons land schromelijk wordt
overdreven. Niet in de laatste plaats omdat bij
dna-onderzoek fouten voorkomen. Het Nederlands
Forensisch Instituut, dat sporen van ernstige
misdrijven onderzoekt, hield zijn foutenregistraties
altijd krampachtig binnenboord. Hoeveel afwijkingen
werden daar ontdekt? Wat is de aard van die
laboratoriumfouten? Deze krant moest jaren
procederen voordat het de cijfers onlangs op last
van de rechter in handen kreeg. Een schokkend
overzicht. (Zie ook
www.telegraaf.nl)
Jolande van der
Graaf (De Telegraaf)
|
„Vaak geen contact met Slachtofferhulp”
18 januari
2011 - Duizenden
slachtoffers van een misdrijf lopen onnodig psychische, juridische en andere
vormen van hulp mis omdat het computersysteem van de politie niet goed
functioneert. Daardoor
worden deze slachtoffers niet doorverwezen naar Slachtofferhulp Nederland.
Een
woordvoerster van Slachtofferhulp Nederland heeft een bericht hierover in het AD
bevestigd.
Als het goed is, horen slachtoffers van bijvoorbeeld een straatroof, inbraak of
geweld bij aangifte op het politiebureau altijd de vraag te krijgen of hun
gegevens naar Slachtofferhulp mogen worden gestuurd. Vaak vergeet een agent dat
te vragen. In het nieuwe computersysteem van de politie, BVH, staat die
hulpvraag standaard op ‘neen’. Daardoor lopen duizenden slachtoffers hulp mis
omdat hun gegevens niet bij Slachtofferhulp Nederland terechtkomen. De
organisatie wil dan ook dat het BHV-computersysteem weer snel waterdicht is. Volgens
Slachtofferhulp is contact vaak belangrijk, al is het alleen maar om
slachtoffers gerust te stellen. „Niet elke overval leidt tot psychische
gevolgen. Wel is het goed dat we mensen kunnen helpen bij het verhalen van
schade of het geven van juridische ondersteuning.” |
 |
|
|
|
Minke van de
Ven- de Jong |
'Nabestaanden moord effectiever helpen'
Nabestaanden van slachtoffers van moord hebben vaak te maken met
posttraumatische stress. De Rijksuniversiteit Groningen (RUG) gaat onderzoeken
of deze mensen beter en effectiever kunnen worden geholpen, zodat ze minder last
hebben van bijvoorbeeld slapeloosheid en concentratieproblemen. De RUG doet het
onderzoek samen met Fonds Slachtofferhulp, zo is dinsdag bekendgemaakt. De
eerste resultaten worden over ongeveer twee jaar verwacht. „Hulpverleners zijn
vaak huiverig om met nabestaanden van slachtoffers van moord om te gaan. Met ons
onderzoek kunnen we mensen gericht opleiden om deze mensen te begeleiden”, zegt
projectleider Jos de Keijser. Hij deed eerder onder meer onderzoek naar
nabestaanden van mensen die zelfmoord hebben gepleegd. „Bij gerichte begeleiding
hebben ze op lange termijn minder last van symptomen als slapeloosheid en
concentratieproblemen.” De Keijser benadrukt dat begeleiding alleen de klachten
wat minder kan maken. „Het leven van mensen die met moord te maken hebben,
verandert sowieso drastisch. Daar helpt geen therapie tegen.” De Keijser gaat
ook onderzoek doen naar wraakgevoelens van nabestaanden. Daar is wereldwijd nog
nauwelijks onderzoek naar gedaan. In Nederland worden gemiddeld 130 mensen per
jaar vermoord. Het gaat in de meeste gevallen om moord in de relationele sfeer.
Nieuwe
risicogroep aan het licht na onderzoek familiedrama’s.
’Dader hoopt relatie met slachtoffer voort te kunnen zetten, zelfs ná
de dood.’ Gezinsdrama’s, waarbij de dader eerst veelal de (ex-)partner
en daarna zijn kinderen ombrengt en vervolgens de hand aan zichzelf
slaat, zorgen voor veel maatschappelijke onrust. Het aantal gevallen
blijft evenwel tamelijk constant. Dit blijkt uit het proefschrift
’Zelfdoding na doding. Een empirische analyse’ van criminologe
Marieke Liem, die er vandaag in Utrecht op promoveert.
Het zijn afschuwelijke zaken zoals onlangs in Amsterdam en Baexem.
Doorgaans mannen die moorden plegen en daarna zichzelf de dood
injagen. Wat achterblijft is de verbijstering en vragen, héél veel
vragen. Criminologe Marieke Liem hoopt wat van die vragen te
beantwoorden.
Woonwijk IJburg in Amsterdam was afgelopen weekeinde het toneel van
het zoveelste familiedrama. Een tweejarige peuter werd zo ernstig
verwond, dat het meisje spoedoperaties moest ondergaan en dagenlang
knokte voor haar leven. De 33-jarige vader sloeg de hand aan zichzelf
en overleed kort nadat hij door de politie in de woning aan de
Diemerparklaan werd gevonden.
Bij een ander familiedrama in het Limburgse Baexem werd de 8-jarige
Soukaine gedood en haar 10-jarige broertje Soufian zwaargewond bij een
geweldsexplosie van hun 39jarige vader. Door een briefje met daarop
’help’ naar buiten te duwen door de brievenbus attendeerde de
zwaargewonde Soufian zijn buren op het drama dat zich even daarvoor in
zijn ouderlijke woning had afgespeeld. Daar had zijn vader Faddel H.
(39) zijn beide kinderen met een mes de hals doorgesneden. Dit nadat
zijn vrouw twee weken geleden de woning had verlaten vanwege ernstige
relatieproblemen.
Het was niet verbazingwekkend geweest als ook Faddel H. zichzelf van
het leven had beroofd, aldus criminologe Marieke Liem, die zich heeft
verdiept in dergelijke familiedrama’s. Haar belangrijkste
conclusies: voor sommige daders is doding en daarna zelfdoding de
enige uitweg uit hun problemen. „Ongeveer vier procent van alle
dodingen in Nederland eindigt in een zelfdoding van de dader. Doding
gevolgd door zelfdoding van de dader maakt in Nederland jaarlijks
ongeveer negen slachtoffers. Tussen 1992 en 2006 is er geen toename of
afname in dit aantal te constateren. Uit mijn onderzoek blijkt dat het
merendeel van de dodingen wordt gepleegd met een vuurwapen. De
karakteristieken van doding-zelfdoding in Nederland komen overeen met
bevindingen in andere landen: vrouwen en kinderen zijn de meest
voorkomende slachtoffers in doding-zelfdodingzaken, mannen de meest
voorkomende daders”, aldus Liem.
De onderzoekster maakt onderscheid tussen drie soorten familiale
moordenaars/zelfmoordenaars: „Bij de eerste groep daders doden hun
slachtoffers vanuit de overtuiging dat die debet zijn aan de situatie
waarin zij verkeren. De zelfdoding volgt uit een gevoel van schuld,
schaamte of de wens met het slachtoffer herenigd te worden. Bij de
tweede groep neemt de dader zijn slachtoffers mee in zijn dood, om zo
de band voort te zetten.”
Uit Liems onderzoek komt een derde, niet eerder in de wetenschap
gedefinieerde groep naar voren, waarbij doding-zelfdoding door de
dader als enige oplossing voor de bestaande problematiek wordt gezien.
Een soort waanzinnige ’totaaloplossing’: „Dit type dodingen kan
worden verklaard door factoren als behoud van controle over de
situatie, behoud van afhankelijkheid en dreiging tot verlies van
identiteit.”
Bij deze laatste groep kan de doding-zelfdoding door de dader volgens
Liem worden verklaard „vanuit een dwangmatige controle over de
situatie en de wens tot behoud van de wederzijdse afhankelijkheid met
de slachtoffers”. Kortom: de ziekelijke gedachte dat ’als we
allemaal samen dood zijn, het allemaal beter wordt’.
Liem: „Door zijn wanhoopsdaad denkt de dader in deze derde groep een
’totale oplossing’ voor zijn problemen te vinden. Hij gaat over
tot de doding-zelfdoding uit de overtuiging dat er geen alternatieven
zijn. In elk van de drie groepen speelt de afhankelijkheid tussen
dader en slachtoffer een doorslaggevende rol: door de combinatie
doding-zelfdoding hoopt de dader de relatie met het slachtoffer voort
te kunnen zetten, zelfs ná de dood.”
Door Bart Olmer (De Telegraaf)
Door
intieme relaties eerder in de fout.
Hoe beter de kwaliteit van leven, hoe minder
draaideurcriminelen. Dat is kortweg de conclusie van het promotieonderzoek van
Yvonne Bouman, werkzaam bij de Pompestichting in Nijmegen. ‘Maar intieme
relaties vormen een bron van spanning, waardoor forensische patiënten eerder in
de fout gaan’, zo luidt haar opmerkelijke bevinding.
Vanwaar uw
speurtocht naar een mogelijke relatie tussen welzijn en
criminaliteit?
‘Sommige criminologische theorieën, zoals Ward’s Good
lives model suggereren zo’n verband. Bij behandelaars van
ambulante forensische patiënten leven eveneens allerlei
veronderstellingen in de trant van: “Iemand die goed in zijn
vel zit, heeft iets te verliezen en zal minder snel geneigd zijn
in de fout te gaan.” Ik ben nagegaan of dat verband tussen
kwaliteit van leven en crimineel gedrag – waarvoor ondermeer
gebruik is gemaakt van justitiële data – kan worden
aangetoond. Dat blijkt het geval. Met die bevinding kunnen
behandelaars hun voordeel doen door meer nadruk te leggen op
levensomstandigheden. In de algemene psychiatrie gebeurt dat al.
De forensische psychiatrie loopt hierbij tien jaar achter, maar
ook in die setting blijkt kwaliteit van leven een belangrijke
graadmeter voor behandelsucces.’
Over welke
aspecten van kwaliteit van leven praten we?
‘Als de relaties op het werk goed zijn, kan dat beschermen
tegen delictgedrag. Als mensen een doel hebben in het leven,
tevreden zijn over hun woonsituatie, hun financiële situatie en
hun gezondheid, of binding hebben met een religieuze
gemeenschap, blijven ze vaker op het rechte pad. Opvallend is
ook dat gestructureerde vrijetijdsbesteding en lidmaatschap van
een sportclub voor deze groep patiënten met een
persoonlijkheidsstoornis heel effectief kan zijn.’
Het hebben
van een ‘wijf’ werkt echter averechts. Hoezo?
‘Die uitkomst is opmerkelijk, omdat vaak wordt gedacht dat
het hebben van een vaste relatie structuur biedt en mensen in
het gareel houdt. Voor deze groep patiënten gaat kennelijk
eerder het tegenovergestelde op. In mijn onderzoek begaat 58,3
procent van de hoogrisicopatiënten met een vaste partner een
vermogensdelict. Voor lotgenoten zonder vaste partner ligt dat
percentage op 9,1 procent. Samenwonen met vrienden of familie
laat een soortgelijk patroon zien. Twintig procent van de
singles pleegt in de onderzochte periode een geweldsdelict.
Hoogrisicopatiënten die samenwonen met vrienden of verwanten
pieken op 61,5 procent. Significante verschillen die mogelijk
verklaard kunnen worden uit de persoonlijkheidsstoornis. We
weten dat mensen met dit type stoornis veelal moeite hebben met
intieme relaties. Die kunnen een bron van spanning vormen,
waardoor iemand in de fout gaat. Overigens werken goede sociale
contacten met bijvoorbeeld een baas of collegae op het werk wél
beschermend. Daar is geen sprake van benauwende intimiteit.’
U bepleit een evenwichtige behandeling, mede gericht op het
versterken van potentieel beschermende factoren. Krijgt u
daarvoor de handen op elkaar?
‘Het maatschappelijk klimaat zit niet echt mee. De roep om
een repressieve, harde aanpak klinkt alom. Op behandelingen en
nazorgprogramma’s wordt bezuinigd, maar behandelaars houden
stug vol om waar mogelijk verbeteringen te realiseren. De
forensische psychiatrie kan onmogelijk zorgen voor nul delicten,
maar kan wel zorgen voor een vermindering. Op dit moment is in
de instellingen de belangstelling voor beschermende factoren in
de behandeling groeiende. De resultaten lijken positief.’
Onderzoek
naar verbetering van de behandeling van ambulante forensische
patiënten is schaars. Waarom?
‘Het is natuurlijk niet de makkelijkste categorie mensen om te
benaderen. Van de 241 personen die voor mijn onderzoek zijn
geselecteerd, hebben er in de eerste interviewronde 135
meegedaan en in de tweede ronde 102. Dat is een mooie score.
Daarnaast werkt ook een normatieve gedachte remmend. Je hebt het
toch over mensen die een delict hebben gepleegd en in hoeverre
wil je daar met een positieve insteek mee aan de slag?
Wat zegt u
tegen mensen die u naïef optimisme verwijten?
We weten dat alleen straffen geen zoden aan de dijk zet. Toch
willen we de criminaliteit waar mogelijk terug dringen. Dat
lijkt beter te lukken door in de behandeling een twee
sporenbeleid te volgen en ook te kijken naar positieve factoren.
Dat komt ook de relatie met de therapeut en het behandelverloop
ten goede. Behandel-effectstudies moeten uitwijzen in hoeverre
zo’n positieve benadering werkt. Dit alles loont de moeite,
want elke misdaad die we kunnen voorkomen telt.’
Yvonne Bouman promoveerde op 10 december 2009 aan de Universiteit
Maastricht op het proefschrift Kwaliteit van leven en
criminele recidive bij ambulante forensische patiënten met een
persoonlijkheidsstoornis. |

Yvonne Bouman |
Leemten
in de slachtofferhulpverlening
Resultaten van een verkennend, kwalitatief onderzoek onder
verschillende categorieën gedupeerden van ingrijpende
gebeurtenissen door Prof. dr. J.J.M. van Dijk en Drs. F. van Mierlo.
Slachtoffers moeten
lijden als Jezus: vrijwillig, vergevingsgezind en vrij van wraak.
Mondigheid leidt al snel tot argwaan. Door slachtoffers de
schuld te geven van hun lot, stellen we onszelf gerust, meent
victimoloog Jan van Dijk.
’Slachtoffers zijn
opmerkelijk mild over hun daders’
Grondlegger van Slachtofferhulp Victimoloog Jan van Dijk (Amsterdam,
1947) is een van de grondleggers van de Nederlandse victimologie en
van Slachtofferhulp Nederland. Deze organisatie heeft 1500
vrijwilligers en 300 beroepskrachten die praktische, juridische en
emotionele steun verlenen aan gedupeerden.
Hij werkte eerder bij het ministerie van justitie, bij de
Universiteit Leiden en bij een instituut voor misdaadonderzoek van
de Verenigde Naties. Momenteel bekleedt hij de Pieter van
Vollenhoven leerstoel aan de Universiteit van Tilburg en geeft hij
les aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.
Hij is ook de maker van de gerenommeerde World Atlas of Crime,
waarin hij de georganiseerde misdaad wereldwijd in kaart bracht, en
waarvoor hij een hoge Amerikaanse onderscheiding kreeg.
Toen op 3 mei 2007 de driejarige Madeleine McCann tijdens een
vakantie in Portugal verdwenen was, benaderden haar ouders direct de
media met persconferenties en interviews. Zij vroegen alle aandacht
voor het drama dat hen was overkomen. Maar het duurde niet lang of
de ouders stonden zelf in de beklaagdenbank. De Portugese politie
beschouwde hen als verdachten en in de kranten verschenen
speculaties over Maddie’s DNA in de kofferbak van hun auto. Nooit
werd er enig bewijs tegen hen gevonden. De Portugese politie heeft
inmiddels excuses aangeboden.
De ouders McCann zijn niet de enigen die deze wonderbaarlijke
verandering van slachtoffer in verdachte ondergingen. De
Oostenrijkse Natascha Kampusch, die acht jaar in een kelder was
opgesloten, zou daar niet onvrijwillig hebben gezeten, beweerden
talloze kranten enkele weken na haar bevrijding. En dan waren daar
de geruchten over incest. Haar moeder zou haar aan haar ontvoerder
hebben overgeleverd.
Dergelijke beschuldigingen komen heel vaak voor bij slachtoffers
van misdrijven die zich niet zwak en zielig voordoen, zegt
victimoloog Jan van Dijk. „De ouders McCann zochten zelf de pers,
omdat ze, terecht, geen vertrouwen in de Portugese politie hadden.
Dat was onmiddellijk verdacht. Natascha had ook veel te veel
praatjes voor een slachtoffer. Hoe kon een meisje dat jaren in een
kelder opgesloten had gezeten op televisie zulke goede interviews
geven? Daar moest iets aan de hand zijn. Slachtoffers in
de beklaagdenbank, dat gaat erin als koek.”
|
Jan van Dijk (geb.1947) houdt zich al zijn hele werkzame leven bezig met de
positie van slachtoffers in
het strafrecht en in de samenleving. Lange tijd was hij een van de
weinigen in Nederland. Terwijl er voor daders van oudsher van alles
werd gedaan om hen na gevangenschap in de maatschappij terug te
brengen, werden slachtoffers vergeten.
Ze kregen geen hulp of schadevergoeding, waren geen partij in een
rechtszaak, kregen geen informatie over tijdstip van vrijlating van
de dader, mochten geen uitspraak doen over de strafmaat. Tot Van
Dijk in 1984 Slachtofferhulp Nederland opzette, gebeurde er niets
voor deze groep gedupeerden. De situatie is verbeterd, maar nog
steeds ontberen slachtoffers volgens
hem elementaire steun en rechten.
Van Dijk vraagt zich al lang af waarom vrijwel niemand zich om slachtoffers bekommert.
„Ik denk dat er een onbewuste neiging is om mensen te mijden die
door het lot getroffen zijn, of het nu om een ernstige ziekte of een
misdrijf gaat. Door slachtoffers de
schuld te geven van hun lot, kun je jezelf geruststellen. Het
slachtoffer heeft onverstandig geleefd, dat overkomt mij niet, is
onze reactie.”
|

Prof.
Jan van
Dijk |
Onlangs schreef Van Dijk het boek ’Slachtoffers als
zondebokken’, waarin hij zijn theorieën over de rol van het
slachtoffer in de maatschappij verder uitwerkt. Want volgens hem is
er meer aan de hand met het begrip slachtoffer. „Het is toch vreemd
dat we iemand wiens fiets gestolen wordt slachtoffer noemen. Niemand
beseft dat een slachtoffer etymologisch een dood dier op een
slachtblok is. Het vreemde is dat alle westerse talen hetzelfde
gruwelijke begrip hanteren voor een gedupeerde. In het Engels en
Frans stamt het woord af van het Latijnse victima, een dier op een
offerblok. Maar ook in het Duits, Servisch en Russisch spreekt men
van slachtoffer, in het IJslands zelfs van offerlam. Het offerlam
van een fietsendiefstal, dat klinkt toch merkwaardig.
„Ik ben gaan onderzoeken wanneer de term voor het eerst voor een
mens werd gebruikt en kwam uit bij Johannes Calvijn. In het
geloofsboek ’Institutie’ uit 1536 gebruikt hij het woord victima,
offerlam, voor Jezus Christus. In de Nederlandse vertaling werd dat
slachtoffer. In de Reformatie werd het denken over Jezus als offer
voor de mensheid sterk aangezet. En dan zie je eind zeventiende
eeuw, als Jezus steeds menselijker is geworden, de term opduiken
voor andere gedupeerden van rampen en misdrijven. ”
De gevolgen van de verbinding van Christus aan gedupeerden is dat
van hen onbewust eenzelfde bovenmenselijke houding gevraagd wordt,
meent Van Dijk. „Het bijzondere van Christus is dat Hij vrijwillig
lijdt. Daarnaast is Hij vergevingsgezind en geheel vrij van
wraakzucht. Dat is in onze cultuur de rolverwachting voorslachtoffers.”
Wraak lijkt een aangeboren menselijk instinct. Maar het is in de
loop van eeuwen in het Westen een taboe geworden, omdat wraak een
ontwrichtende werking op de samenleving heeft. Het zorgt voor ketens
van bloed, zoals bijvoorbeeld te zien is in de Griekse tragedie
Oresteia – waarin vader Agamemnon dochter Iphigeneia vermoordt en
vervolgens door zijn vrouw Klytaemnestra wordt vermoord, die weer
wordt vermoord door hun zoon Orestes. De schrijver Aischylos laat de
wraak eindigen bij een oordeel van de rechtbank. In de bijbel
eindigt de traditie van wraak bij het laatste mensenoffer. De
geofferde Christus vergeeft zijn beulen en beëindigt zo definitief
de cyclus van geweld.
Deze houding vragen wij nu van de gedupeerden van misdrijven, stelt
Van Dijk. Het achteloze gebruik van de term slachtoffer werkt dat in
de hand.
Het wraakmotief zien we nog terug in bepaalde B-films, maar in de
nette cultuur komen we het nauwelijks tegen. Bij moslims bestaat het
wel – de eerwraak is regelmatig in de belangstelling – maar het gaat
Van Dijk te ver om te zeggen dat de islam de godsdienst van de wraak
is. „Voor de islam is vergeven geen gebod, maar wel prijzenswaardig.
Bovendien, ieder mens heeft naast wraakzucht ook de wil om zich met
de tegenstander te verzoenen.”
Sterker nog, slachtoffers zijn
vaak opmerkelijk mild tegenover hun daders. De gedachte dat een
slachtoffer de dader zwaar gestraft wil zien, klopt niet. Van Dijk:
„Ik ben elke keer verrast om te merken hoe reëel slachtoffers praten
over hun dader. Het lijkt wel of ze door hun eigen leed gevoeliger
zijn voor het leed van de dader. Sommigen lopen rond met
wraakplannen. Ze willen dan bijvoorbeeld een pistool kopen om de
dader te doden. Maar bijna nooit wordt dat pistool echt gekocht.”
Het is dan ook onnodig paternalistisch om te willen dat
slachtoffers zich
willoos door de overheid laten vertegenwoordigen in de rechtszaal,
vindt Van Dijk. Angst voor wraak is overdreven, want wraakzucht
blijkt tegenwoordig, net als seksualiteit, een instinct dat over het
algemeen heel goed hanteerbaar is en dus niet hoeft te worden
onderdrukt.
In de jaren negentig is de positie van het slachtoffer binnen het
strafrecht al flink verbeterd. Zo kunnen slachtoffers nu
gemakkelijker schade verhalen op de dader en mogen ze in de
rechtszaal hun kant van de zaak laten horen. Maar nu zit de
slachtofferbeweging aan haar plafond. Van Dijk merkt dat
hoogleraren, rechters en officieren van justitie nog altijd grote
moeite hebben met de nieuwe rechten van slachtoffers.
„Daar heb je hem weer, zie ik ze denken als ik over de rechten van
slachtoffers begin.
Het strafrecht is een zaak tussen de staat en de dader, zo kijkt men
er tegenaan. Ook zijn rechters en officieren van justitie bang voor
toestanden tijdens de zittingen als de slachtoffers aan
het woord mogen komen.”
Slachtoffers mogen
nu wel tijdens de rechtszaak praten over het leed dat hun is
aangedaan, maar niet zeggen dat ze daarom vinden dat de dader in de
gevangenis moet. Dat wordt afgehamerd. In België mogen slachtoffers zeggen
welke voorwaarden ze opgelegd willen zien, bijvoorbeeld dat de
buurman die het dochtertje seksueel misbruikt heeft, niet meer in
dezelfde straat mag wonen. Ze horen ook wanneer hij weer vrij komt.
In Nederland zie je hem plotseling weer voor je neus staan. Het
slachtoffer moet maar vergeven. Ik vind maatschappelijke terugkeer
van de dader ook van grote waarde, maar het mag niet ten koste gaan
van het slachtoffer.”
Toch is Van Dijk niet pessimistisch. Met kleine stapjes gaat de
positie van het slachtoffer vooruit. In sommige landen ziet hij de
term slachtoffer zelfs al verdwijnen. In de Verenigde Staten spreekt
men consequent van survivors of rape (verkrachtingsoverlevers), in
IJsland is de term offerlam vervangen. In Nederland pleit hij voor
de term gedupeerde.
Wat maakt dat uit? Van Dijk: „Ik geloof dat symbolen erg belangrijk
zijn vanwege het waardensysteem dat erachter zit. ”
Slachtoffers als
zondebokken, J.J.M. van Dijk, uitgeverij Maklu-uitgevers, isbn 978
90 466 0146 4, E 22,95. Sandra Kooke Copyright: Trouw
Een
kritische kijk op de praktijk van de psychiatrie!
Dwangmedicatie 2011
Psychiaters hebben het zo goed als voor elkaar gekregen om de toepassing van
dwangmedicatie in 2011 aanzienlijk te verruimen zodat bijvoorbeeld ook een
“gevaar agressie uit te lokken van anderen” een reden is om mensen onder dwang
met antipsychotica te behandelen.
Waarom
hersenmedicijnen toedienen?
Sociale
controle is een noodzaak. Wanneer een mens doordraait of een potentieel gevaar
vormt door omstandigheden dan is het nodig om in te kunnen grijpen, en soms is
dat bijzonder lastig omdat het juridische systeem gebaseerd is op het principe
“geen schuld geen misdrijf“. Preventieve maatregelen toepassen ten behoeve van
de sociale controle of veiligheid zijn dus lastig.
De
psychiatrie biedt hierin uitkomst. Op basis van een hardnekkig beschermde en in
stand gehouden medische dogma kunnen overlastgevende mensen of mensen die door
omstandigheden of veronderstellingen een potentieel risico vormen voor
bijvoorbeeld “de openbare orde” acuut worden opgesloten door een ‘onmeetbare
hersenziekte’ bij ze te diagnosticeren en ze omwille van de veiligheid ‘medisch
verantwoord’ te laten behandelen.
De
behandeling kan bestaan uit (jaren
achtereen) isoleercel en dwangmatige injecties met antipsychotica, een
middel dat
het leven met gemiddeld 30 jaar verkort en die de kans op herstel van
eventuele psychische problemen vermindert. Het legt de persoon lam: sociale
controle verzekerd.
Het
vormt zowaar de enige mogelijke te bedenken ethische verantwoording voor het
bestaan van het beroep psychiater, en mogelijk ook de reden dat de corruptie
binnen de professie op zo’n grote schaal kan floreren onder het toeziend oog van
de overheid die er juist is om mensen te beschermen.
De
psychiater is vrijwel almachtig binnen de wet en een manier om zijn macht te
verzekeren en te behouden is door de afhankelijkheid van de professie te
vergroten. Dit streven is te herkennen in het feit dat inmiddels meer dan 1
miljoen mensen in Nederland dagelijks antidepressiva slikken die volgens
hoogleraren de
kans op zelfmoord verdubbelen en kunnen aanzetten tot agressief gedrag en
moord:
http://www.depers.nl/wetenschap/86562/Met-Ritalin-eerder-aan-drugs.html
De
antipsychotica creëert tijdbommen van mensen die bij onthouding ontploffen
doordat mensen terugklappen in de meest verschrikkelijke psychose wanneer zij
proberen te stoppen.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/14728997
Het
resultaat: steeds meer crimineel gedrag en sociale problemen waarvoor de
psychiatrie ‘nodig’ is.
Het
‘noodzakelijke kwaad’ dat de psychiatrie aanbiedt als oplossing voor het
verzekeren van sociale controle is in werkelijkheid niets minder dan een verbond
met de duivel waarbij je op de lange termijn meer inlevert dan je er op de korte
termijn voor krijgt.
Is de
psychiatrie nodig? Is het nodig om een nep-arts te gebruiken voor sociale
controle? Ik denk van niet. Want wie zal er gekeerd zijn tegen preventieve
maatregelen ten gunste van de maatschappelijke veiligheid die worden doorgevoerd
op basis van democratisch besluit? Een nep-arts gebruiken en mensen voorliegen
is m.i. in geen geval nodig en leidt alleen maar tot een verslechtering van de
sociale normen en waarden in de samenleving. In Rusland hebben ze het volgende
gezegde dat hierop van toepassing is: “A fish
rots from the top down”
De
beginselenwetten die van toepassing zijn op gedetineerden in de gevangenis,
jeugdgevangenis en tbs-inrichtingen ondergaan op korte termijn drastische
wijzigingen. Daardoor dreigt de toepassing van dwangbehandeling voor gevangenen
– in de praktijk meestal dwangmedicatie – een enorme vlucht te nemen.
Het
oorspronkelijke gevaarscriterium dat van toepassing was op direct gevaar voor de
gedetineerde en zijn omgeving in de detentiesituatie dreigt sterk te worden
uitgebreid. Niet alleen direct lichamelijk gevaar, maar ook gevaar voor de
psychische gezondheid van anderen, gevaar voor verwaarlozing van anderen, gevaar
dat door hinderlijk gedrag bij anderen agressie wordt opgeroepen en gevaar voor
de algemene veiligheid van personen en goederen komen eronder te vallen.
Dwangmedicatie mag in de toekomst bovendien, volgens het nu in de Tweede Kamer
voorliggende wetsvoorstel, worden toegepast indien aannemelijk is dat de gevaar
veroorzakende stoornis niet op andere wijze binnen een “redelijke termijn” kan
worden weggenomen. Naast mensen met psychotische stoornissen kunnen in de
toekomst onder anderen ook mensen met ADHD, autismespectrumstoornissen,
persoonlijkheidsstoornissen en verstandelijke handicaps met dwangmedicatie te
maken krijgen. Deze dwang kan bovendien ook na het aflopen van de
detentieperiode worden toegepast.
Wetswijzigingen
De
wetswijzigingen hebben betrekking op de drie Beginselenwetten die van toepassing
zijn op de situatie in de gewone gevangenis, de justitiële jeugdinrichtingen (jji)
en de forensische psychiatrische centra (“tbs-inrichtingen”). De aanstaande
wetgeving past ook in de trend van de laatste jaren waarin de GGZ en Justitie
steeds nauwer verweven raken en waarbij er grote aandacht is voor “criminele
veelplegers” en veroorzakers van overlast. Binnen de psychiatrische wereld zijn
in het laatste decennium veel geluiden te horen waarin gepleit wordt voor
verruiming van de mogelijkheden voor dwangbehandeling. De mogelijkheden voor
dwang voor niet-gedetineerden zijn sinds 2005 door wijzigingen in de wet BOPZ al
uitgebreid. De nu voorliggende wetswijzigingen zijn tot stand gekomen onder
verantwoordelijkheid van toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin. Diverse
organisaties, waaronder GGZ Nederland en de Nederlandse Vereniging voor
Psychiatrie (NVvP) zijn om advies gevraagd. De Nederlandse Orde van Advocaten
adviseerde negatief. Dat is niet verbazingwekkend: de rechtspositie van
gedetineerden is duidelijk minder dan die van ‘gewone psychiatrische patiënten’
en de vraag is gerechtvaardigd of met de nieuwe wetgeving geen inbreuk wordt
gemaakt op de rechten van de mens, zoals die in verdragen zijn vastgelegd.
Ongebreidelde dwang
In de
oorspronkelijke Beginselenwet was dwangbehandeling eigenlijk alleen mogelijk in
geval van direct gevaar voor de gedetineerde zelf of voor personen in zijn of
haar omgeving, al werd dwangmedicatie in een aantal gevallen ook toegepast als
dit gevaar niet direct aanwezig was. In de praktijk werd dwang toegepast op
mensen die in een (sterk) psychotische toestand verkeerden – met name bij
‘schizofrenie’ – en daarom niet meer aanspreekbaar waren en agressie naar zich
zelf toe of bewakers en medegevangenen vertoonden. Dwang was dus niet bedoeld om
stoornissen te verhelpen, maar alleen om in noodsituaties kortdurend te worden
toegepast. In de nieuwe situatie wordt dit heel anders: er wordt dan veel meer
naar de toekomst gekeken en die toekomst strekt zich uit tot mogelijk ver na de
detentieperiode. Dit wordt ook al duidelijk uit het sterk uitgebreide
gevaarscriterium, in artikel 1 van de wet. Dat omvat naast gevaar voor
lichamelijk letsel ook gevaar dat iemand maatschappelijk te gronde gaat, gevaar
dat anderen aan zijn of haar zorg toevertrouwd verwaarloosd zullen worden,
gevaar voor zelfverwaarlozing en algemeen gevaar voor de veiligheid van personen
of goederen.(1) Met dit criterium dreigt al een zeer sterke uitbreiding van de
groep mensen die ermee te maken kunnen krijgen, naar bijvoorbeeld mensen die
zich excentriek gedragen in de openbare ruimte. Die kunnen immers met geweld te
maken krijgen van mensen die zich aan hun excentrieke gedrag storen. Het is
echter de omgekeerde wereld om juist de mensen die last hebben van
geweldsdreiging aan te pakken. Het lijkt er wel heel sterk op dat
beheersbaarheid van de samenleving de doorslaggevende factor aan het worden is
in het justitiële beleid. Dit is ook al te zien aan hoe er met daklozen wordt
omgegaan: wat overlast betreft wordt er een steeds stringenter beleid gevoerd.
De daklozen worden eigenlijk niet meer in het straatbeeld getolereerd. Niettemin
vormt deze groep een duidelijk symptoom van de moderne samenleving, waarin een
groeiende groep mensen niet meer in staat is om het hoofd boven water te houden.
Het lijkt er echter sterk op dat de samenleving van deze feiten wil wegkijken
zonder ook maar een kritische blik op zichzelf te willen werpen. Het is ook
typerend voor deze tijd dat de oplossing gezocht wordt in dwang in plaats van
goede opvang en begeleiding. Daarbij past ook de criminalisering van mensen met
psychische problemen. Het is de vraag hoe het gevaarscriterium gaat uitwerken
bij toepassing op het gevaar voor bijvoorbeeld goederen. Slaat dit op gevaar
voor brandstichting? Slaat dit op veelplegers op het gebied van winkeldiefstal?
Of kan dit slaan op
politieke activisten die tot de categorie veelplegers worden gerekend? Daar
is allemaal geen duidelijkheid over. Wel duidelijk is dat de tolerantie van de
samenleving sterk is afgenomen en dat dwang in steeds meer gevallen een optie
lijkt te gaan worden. Het gevaarscriterium is echter niet beperkt tot de
bovenstaande gevallen. In de Memorie van Toelichting (MvT) (2), een beleidsstuk
waarin de wet wordt toegelicht, wordt gesteld dat het in artikel 1 gaat om een
“niet-limitatieve opsomming”, oftewel het gevaarscriterium is desgewenst nog
naar hartenlust uit te breiden. Dat zet de deur wagenwijd open voor een nog
grootschaliger dwang dan zo op het eerste gezicht al mogelijk lijkt.
Dat
dwangmedicatie veel makkelijker zal kunnen worden toegepast, komt ook door de
invoering van het zogenaamde aannemelijkheidcriterium: volgens dit criterium
hoeft het alleen maar aannemelijk te zijn “dat zonder die behandeling het gevaar
dat de stoornis van de geestvermogens de verpleegde doet veroorzaken niet binnen
een redelijke termijn kan worden weggenomen”. Dat lijkt toch een zeer rekbaar
criterium.
Zwakke
rechtspositie gedetineerde
Volgens
de MvT zijn er allerlei zorgvuldigheidseisen en is bijvoorbeeld
“proportionaliteit” van belang bij de beslissing om al dan niet dwangbehandeling
toe te passen. Ook mag het alleen als ultimum remedium (uiterste middel) worden
toegepast, dat wil zeggen als andere methoden niet meer werken. Bij de
totstandkoming van vrijwillige behandeling is de inbreng van de gedetineerde
echter met de nieuwe wetgeving ook minder geworden: deze behandeling ontstaat
niet meer “zoveel mogelijk in overleg met hem”, maar “na overleg met hem”. Het
is daarna dus slikken of stikken voor de gedetineerde: bij afwijzen van
behandeling op voorwaarden van de behandelaar volgt dwangbehandeling en dat
betekent in de meeste gevallen zoals gezegd dwangmedicatie. Dat dit dan in de
wet een “ultimum remedium” heet legt weinig gewicht in de schaal. De
rechtspositie van de gedetineerde komt zwaar onder druk te staan, nog sterker
dan die van ‘reguliere patiënten’ in de GGZ: in tegenstelling met de daar
geldende wet BOPZ en haar beoogde vervanger – de wet verplichte GGZ – hoeft voor
dwangbehandeling inclusief dwangmedicatie geen rechter ingeschakeld te worden.
De directeur van de instelling (tbs-inrichting, gevangenis, jji) besluit
hierover, waarbij een verklaring van twee psychiaters (een behandelende en een
niet-behandelende) moet worden overlegd waaruit blijkt dat de gedetineerde
“gestoord in zijn geestvermogens” is en aannemelijk is dat dit zonder
dwangbehandeling niet binnen “een redelijke termijn kan worden weggenomen”. Het
ontbreken van de rechterlijke toets kan worden gezien als een aanmerkelijke
verslechtering van de rechtspositie van de gedetineerde. Dat de directeur van de
instelling beslist houdt een gevaar in van positieve beslissing tot
dwangbehandeling op oneigenlijke gronden. Het kan maar al te gemakkelijk worden
om dwangmedicatie te geven uit beheersbaarheidoverwegingen. Dit zal alleen maar
aantrekkelijker worden wanneer er sprake is van personele onderbezetting op de
penitentiaire afdelingen. Om zulke situaties te voorkomen is het invoeren van
een rechterlijke toets wel het minste wat je kunt doen om toepassing van
dwangmedicatie zoveel mogelijk te beperken. (Los van de meer principiële vraag
of dit niet altijd een ontoelaatbare inbreuk vormt op de lichamelijke
integriteit). Dat gemakkelijk in automatismen vervallen kan worden blijkt
ironisch genoeg uit de manier waarop de MvT de praktijk nota bene onder het nog
beperkte gevaarscriterium beschrijft: “Wanneer bijvoorbeeld een tbs gestelde na
enkele incidenten medicatie onder dwang krijgt toegediend en daardoor minder
agressief gedrag laat zien, wordt voortzetting van de medicatie onder dwang
geaccepteerd om zo nieuwe incidenten te voorkomen.”
Meer
stoornissen
De
sterke uitbreiding van dwang die dreigt, volgt ook uit de enorme toename van
stoornissen en psychische problematiek die ermee te maken kunnen krijgen. De MvT
zegt over het bereik van het wetsvoorstel: “Het tegengaan van psychotische
stoornissen is een belangrijk oogmerk van het onderhavige wetsvoorstel.
Niettemin is het wetsvoorstel niet daartoe beperkt. (…) Ook behandeling van
andere psychiatrische aandoeningen (die immers vaak in combinatie met
psychotische stoornissen voorkomen), valt onder het bereik van dit
wetsvoorstel.” Genoemd worden: persoonlijkheidsstoornissen (antisociale,
borderline en narcistische stoornissen), psychotische stoornissen,
verslavingsproblemen, verstandelijke handicap en autisme spectrum stoornissen.
Bij de jeugdigen worden naast psychotische stoornissen genoemd pdd-nos, syndroom
van Asperger, ADHD, verstandelijke handicaps, gedragsstoornissen en verslaving.
De toelichting zegt er over: “Waar met pedagogische maatregelen onvoldoende kan
worden bereikt, kan een (gedwongen) medicamenteuze interventie soms een
doorbraak betekenen in het ziekteproces”. Het is uiteraard de vraag of in al
deze gevallen een causaal verband tussen de ‘stoornissen’ en het gevaar kan
worden aangetoond. Er is bovendien veel kritiek mogelijk op de diagnoses, die
volgen uit de categoriale indeling van de DSM IV, het handboek waarin alle
psychiatrische stoornissen worden vermeld. Een dimensionale benadering waarbij
‘gestoord gedrag’ slechts in kwantitatief opzicht – en niet in kwalitatief
opzicht – van ‘normaal gedrag’ verschilt doet meer recht aan de werkelijkheid:
wie om zich heen kijkt ziet overal in de maatschappij mensen met karaktertrekken
die behoren tot de categorie persoonlijkheidsstoornissen. Men ziet ‘narcisten’,
mensen die de neiging hebben zich terug te trekken, wantrouwige mensen
(paranoia) en ‘asocialen’. Meestal zijn deze trekken kennelijk “subklinisch”,
want de meesten functioneren redelijk normaal. Het is de vraag waarom deze
karaktertrekken bij sommigen ontsporen en bij anderen niet. Daarbij kan
weliswaar een aangeboren kwetsbaarheid een rol spelen, maar er zou veel meer oog
voor de omgevingsfactoren en maatschappelijke omstandigheden moeten zijn.
Volgens sommigen (waaronder psychiaters) ‘bestaan’ de stoornissen uit de DSM IV
niet eens en is het alleen zinvol om naar symptomen te kijken en die te
behandelen. Er is zeker veel voor te zeggen om ADHD, pdd-nos en het syndroom van
Asperger niet als een psychiatrische stoornis te zien, maar als atypisch gedrag
of een atypische manier van denken en informatie verwerken.
De
psychiater M.R.A. Santana (3) noemt autisme spectrum stoornissen (ASS) en ADHD
neurobiologische stoornissen. Bij ADHD zou de prefrontale cortex niet goed
functioneren door niet goed werken van het dopamine/noradrenaline systeem.
Niettemin geeft ook hij aan dat mensen met ADHD dit lang niet altijd als een
handicap ervaren, het kan zelfs voordelen hebben in stressvolle situaties. Hij
haalt zelfs ADHD expert Hartmann aan, die veronderstelt dat ADHD ooit in een
samenleving van jagers-verzamelaars een evolutionair voordeel was. Dit lijkt
onder andere samen te hangen met het hebben van een specifieke vorm van het DRD4
gen, wat tot meer exploratief gedrag leidt.(4) In de ingewikkelder samenleving
van nu met alle eisen die aan kinderen op school en dergelijke worden gesteld is
het voordeel echter veranderd in een nadeel. Helaas vindt Santana desondanks dat
medicatie een belangrijke rol dient in te nemen bij de behandeling van ADHD; hij
doelt hierbij op stimulantia zoals methylphenidaat (Ritalin, Concerta) en
dexamfetamine, en antidepressiva (Strattera, SNRI’s en tricyclische
antidepressiva).
Psychologe Laura Batstra hekelt juist de huidige focus binnen de psychiatrie op
genetische aanleg en neurotransmitters. Over hyperactieve kinderen zegt ze:
“Niet al deze problemen horen thuis in de psychiatrie. De psychiatrie gaat uit
van het medisch model: de oorzaak van het probleem wordt gezocht in de aard van
het kind en zo wordt het behandeld. Er zijn echter, naast de aanleg van het
kind, tal van factoren: ouders, leerkrachten, vriendjes, de buurt, cultuur en
maatschappij. Veel ouders en kinderen zijn al een stuk geholpen met meer begrip
en tolerantie vanuit hun omgeving.”(5)
ASS
wordt neurobiologisch van aard genoemd, maar de toestand die voor 90 procent
mensen met een normale tot hoge intelligentie betreft, is zeker niet van dien
aard dat de term ‘psychiatrische stoornis’ gerechtvaardigd is. De oorzaken en de
uitingsvormen van autisme zijn zo sterk divers van aard dat eenduidige relaties
daartussen op dit moment niet mogelijk zijn (en waarschijnlijk zijn de relaties
zo complex dat dit nooit het geval zal zijn).
Ondanks
de gebrekkige en vaak tegenstrijdige kennis over autisme meent Santana dat
behandeling ervan “op experimentele basis” ethisch verantwoord is. Gebruikt
worden daarbij volgens hem vooral “moderne antidepressiva en antipsychotica”, al
dan niet in combinatie met stimulantia. Dat dergelijke middelen tal van ernstige
bijwerkingen kunnen hebben is tegenwoordig algemeen bekend. De psychiater vindt
desondanks “dat met name neurobiologische interventies (lees: psychofarmaca) een
belangrijke plaats dienen in te nemen bij de behandeling ervan”. Over de
toepassing van dwangmedicatie bij gedetineerden met ASS of ADHD schrijft hij:
“Mijns inziens biedt de huidige wetgeving te weinig mogelijkheden om tijdens en
na detentie en tbs werkzame medicatie onder dwang toe te dienen en is
verandering van wetgeving in deze noodzakelijk”.
Bovengenoemde voorbeelden duiden op de sterke focus van de psychiatrie op
neurobiologie en erfelijkheid voor wat betreft het begrijpen en behandelen van
psychische stoornissen. Daarmee komt ook de nadruk op medicatie te leggen en
raken meer psychologische en sociologische benaderingen op de achtergrond. Er is
daardoor te weinig oog voor de omstandigheden en hoe die psychiatrische
stoornissen kunnen veroorzaken, onderhouden of verergeren. Die omstandigheden
zijn in detentie verre van optimaal. Dit wordt in de MvT ook erkend wanneer
wordt gesteld: “Het verblijf in detentie is belastend voor een psychiatrische
patiënt ”, en: “De bewegingsvrijheid is aanzienlijk beperkter, er zijn veel
harde geluiden, uniformen en camera’s. Er is beperkt gelegenheid tot roken en
luchten. Hoewel zo goed mogelijk zorg wordt geboden, brengt de detentiesituatie
specifieke beperkingen met zich mee die extra belastend kunnen zijn voor
psychiatrische patiënten.” De vraag is echter wat er met deze kennis wordt
gedaan.
Pandora
De
kritiek hierboven vertoont grote overeenkomsten met de kritiek van Stichting
Pandora, de stichting die opkomt voor de rechten van psychiatrische patiënten,
op vergelijkbare ontwikkelingen binnen de GGZ via de wet verplichte GGZ. De
stichting vreest een sterke uitbreiding van het aantal stoornissen dat in
aanmerking zal komen voor dwangbehandeling, waar dit voorheen alleen om
psychotische stoornissen waaronder schizofrenie ging. Ze bekritiseert de
uitbreiding van het schadecriterium (vergelijkbaar met het gevaarscriterium in
de Beginselenwetten), waardoor ook psychische, materiële of financiële schade,
verstoorde ontwikkeling en maatschappelijke teloorgang eronder komen te vallen:
“De open definitie van het criterium ‘schade’ zet de deur open naar uitbreiding
van dwang. (…) Duidelijke criteria en afbakeningen ontbreken, de bewijslast van
de causaliteit is complex en aanvechtbaar. Waar is de grens?!” (6) De stichting
laakt ook de houding van de beroepsorganisaties in de psychiatrie voor wat
betreft de rechtspositie van patiënten: “Shockerend vindt Stichting Pandora de
opstelling van beroepsorganisaties in de geestelijke gezondheidszorg, KNMG, NVvP,
NVVA en GGZ Nederland die kritiek uitoefenen op de ‘tweetrapsraket’ (de
commissie adviseert, de rechter beslist) bij de besluitvorming over dwang. Hun
pleidooi dat ‘de rechter slechts marginaal zou mogen toetsen’ wijst Stichting
Pandora af.
“Das
Gesetz nur kann uns Freiheit geben” (“De wet alleen kan ons vrijheid geven”),
aldus voormalig minister Hirsch Ballin op de themamiddag Zorg en dwang II,
georganiseerd door de ministeries van VWS en Justitie op 14 januari 2009. Vele
duizenden mensen zullen dat mogelijk in de toekomst heel anders ervaren.
Adviezen genegeerd
Zoals
gebruikelijk bij wetsvoorstellen en -wijzigingen is voorafgaand aan de
behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer de Raad van State (RvS) om
advies gevraagd. De raad gaf een negatief advies over het uitbreiden van het
gevaarscriterium en het invoeren van het aannemelijkheidscriterium en pleit voor
invoering van een rechterlijke toets voorafgaand aan dwangbehandeling, zoals ook
in de wet BOPZ en de wet verplichte GGZ is opgenomen. “Naar het oordeel van de
Raad ziet de zorgplicht van de minister van Justitie tot nu toe op noodzakelijke
medische zorg aan gedetineerden en, in het geval van het gedogen van een
behandeling, op de afwending van acuut levensgevaar of zelfverminking.
Dwangbehandeling die anderszins plaatsvindt, is tot nu toe niet begrepen onder
deze zorgplicht. Ook al zou de zorgplicht zo ver strekken dat de nu voorgestelde
dwangbehandeling op die grond kan worden gebaseerd, dan neemt dat nog de
noodzaak van voorafgaande rechterlijke toetsing niet weg.” (8) Opmerkelijk
genoeg werd deze kritiek van de RvS door toenmalig minister Hirsch Ballin in de
wind is geslagen.
Op één
punt volgt de minister echter wel de aanbevelingen van de raad, namelijk door
het ultimum remedium beginsel op te nemen. In de oorspronkelijke wijziging van
de Beginselenwetten is niet opgenomen dat de dwangbehandeling alleen als ultimum
remedium mag worden toegepast. Dit kan alleen maar een bewuste keuze van de
minister zijn geweest, aangezien in de wetsvoorstellen voor de wet verplichte
GGZ het ultimum remedium wèl is opgenomen. Het is schokkend om te moeten
constateren dat bij voormalig minister Hirsch Ballin de rechten van de
gedetineerde zo’n ondergeschikte rol spelen als hieruit naar voren komt.
In het
veranderde voorstel is het ultimum remedium beginsel zoals gezegd dus wèl
opgenomen. Het komt hier echter in een heel ander licht te staan doordat het is
gekoppeld aan het uitgebreide gevaarscriterium en het aannemelijkheidsbeginsel.
Het begrip ultimum remedium heeft in de nieuwe situatie niets meer met
toepassing van dwang in noodgevallen te maken.
Tweede
Kamer
De
wetswijzigingen worden op dit moment behandeld in de Tweede Kamer. Voorafgaand
aan plenaire behandeling heeft de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie
zich er over gebogen.(9) De VVD-fractie heeft geen kritiek op het wetsvoorstel
en steunt de insteek om geen rechterlijke toetsing vooraf in de wet op te nemen.
Het CDA meent dat de adviezen van de RvS en andere organisaties zorgvuldig en
evenwichtig zijn verwerkt in het aangepaste wetsvoorstel en memorie van
toelichting. Ze noemen het wetsvoorstel proportioneel, subsidiair en doelmatig
en in overeenstemming met het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM)
en de Grondwet. De inbreng van de PVV is vrijwel nihil en zonder enige kritische
noot. Dat is niet verbazingwekkend, want de partij wil de tbs sowieso afschaffen
en vertrouwd voor wat betreft gedetineerden op de heilzame werking van
heropvoedingskampen en versobering van de gevangenissen, getuige haar
verkiezingsprogramma. Treurig genoeg hebben GroenLinks, D66 en de Partij voor de
Dieren volgens het verslag geen enkele inbreng gehad bij de behandeling van het
wetsvoorstel in de commissie. De meeste kritiek komt van de SP en de PvdA en in
mindere mate van de CU. De SP vraagt zich af wat het in dit verband betekent dat
de longstay afdelingen (tbs) en contracten tussen Justitie en de
GGZ/tbs-instellingen worden versoberd. Ook vraagt de partij zich af of er geen
gevaar dreigt voor toepassing van dwangmedicatie vanwege personeelstekorten en
tijdsgebrek. De SP constateert verder ten onterechte “dat respect voor de
autonomie van de in de justitiële inrichtingen opgenomen patiënt het
uitgangspunt is en blijft”, en dat dwangbehandeling slechts als uiterste middel
kan worden ingezet. De SP heeft twijfels bij de afwezigheid van de rechterlijke
toets vooraf en vraagt zich daarom af of het wetsvoorstel voldoet aan de eisen
van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Ze refereren verder
aan een opmerking van de Nederlandse Orde van Advocaten die zich afvraagt in
hoeverre “de sterk teruggebrachte hulp en andere voorzieningen in de
penitentiaire inrichtingen bijdragen aan het verergeren van de symptomen”. De CU
vraagt zich af of het aannemelijkheidcriterium niet veel moeilijker
objectiveerbaar is dan het oorspronkelijke gevaarscriterium en vraagt zich af
wat de ervaringen op dat gebied zijn bij dwangbehandeling in de GGZ (veranderde
wet BOPZ). Verder vragen ze zich af waarom er verschil wordt gemaakt tussen
GGZ-patiënten enerzijds, waarbij een rechterlijke toets vooraf noodzakelijk is,
en tbs-ers en (jeugd)delinquenten anderzijds. De PvdA vraagt zich af hoe vaak
dwangbehandeling naar verwachting zal worden ingezet. Verder hebben ze vragen
over dwangmedicatie bij jeugdigen, waarbij ze zich afvragen of er voldoende
advies is ingewonnen. Voor wat betreft dwangbehandeling binnen de gevangenis of
justitiële jeugdinrichting achten ze de directeur van die instelling niet de
aangewezen persoon om te beslissen. De commissieleden zijn bang voor een
beslissing op oneigenlijke gronden, en vragen zich af: “Zou een directeur van
een penitentiaire inrichting en jji zich, bij zijn afwegingen of overgegaan moet
worden tot gedwongen behandeling, kunnen laten leiden door andere belangen?” Ze
denken daarbij aan “belangen die een bedrijfsmatige insteek hebben zoals te
weinig personeel of te volle cellen op de behandelafdeling”. Al met al is er
alleen bij SP en PvdA, en in mindere mate bij de CU, sprake van substantiële
kritiek op de voorstellen. De regeringsfracties en de PVV hebben geen enkele
kritiek en het ziet er dus vooralsnog naar uit dat dit voorstel ongeschonden
door de Tweede Kamer gaat komen. Dat betekent dat vele duizenden mensen mogelijk
in de komende jaren de onzalige gevolgen van dwangmedicatie zullen gaan
ondervinden. Welke groepen mensen dat zullen zijn staat nog te bezien, maar uit
de MvT blijkt dat het naast mensen met een psychose, mensen met een
persoonlijkheidsstoornis, autisme, ADHD, geestelijke handicap en een verslaving
kunnen zijn. Hierover zijn zeer onterecht door geen van de fracties kritische
vragen gesteld. Ook zijn er geen vragen gesteld over de veronderstelde causale
verbanden tussen de psychiatrische stoornissen en het gevaarscriterium. De
nadere invulling van een aantal van de voorgestelde wijzigingen zal bovendien
worden beschreven in een Algemene Maatregel van Bestuur, een maatregel die door
de regering kan worden opgesteld zonder democratische controle van Eerste en
Tweede Kamer. Het gaat daarbij onder andere om “categorieën van
behandelingsmiddelen of -maatregelen (..) die niet mogen worden toegepast” en
“regels (..) met betrekking tot de wijze waarop tot toepassing daarvan moet
worden besloten”.(1) Deze zaken zijn echter cruciaal voor de mensen die ermee te
maken kunnen gaan krijgen – de gedetineerden. Het is daarom onverteerbaar dat
deze plannen zo kritiekloos door de Tweede Kamer lijken te gaan komen.
Deze tekst is eerder gepubliceerd op het
weblog Zwarte Gal.
Noten
1.
Wijzigingen beginselenwetten, document 32337, nr. 2.
2. Memorie van Toelichting bij wijzigingen van beginselenwetten, document 32337,
nr. 3.
3. “Als straffen en trainen niet helpt. Over de aanpak van AD(H)D en
autismespectrumstoornissen (ASS) in relatie tot strafrechtelijke sancties”, M.R.A. Santana. In: Ontmoetingen 14, 2008, Voordrachtenreeks van het Lutje
Psychiatrisch-Juridisch Gezelschap.
4. “Dopamine D4 receptor (D4DR) exon III polymorphism associated with the human
personality trait of novelty seeking”, R.P. Ebstein et al. In: Nature Genetics
12, 1996.
5. “ADHD is geen ziekte”, Joop Bouma. In: Trouw, 14 april 2010.
6. “Open begrippen in Wet Verplichte GGZ kunnen leiden tot misdiagnose en meer
dwang”, Stichting Pandora.
7. “Wet Verplichte GGZ: Kanttekeningen Stichting Pandora bij taken en
bevoegdheden commissie”, Stichting Pandora.
8. Advies Raad van State en nader rapport, document 32337, nr. 4.
9. Verslag van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie, 3 november 2010,
document 32337, nr. 5.
|
 |
|
|
|
|
|