augustus 2006     ingezonden Martin Roos i.m. Alan Roos zie ook    160

141

111 180 033  

005

   

 

De familie Roos is heel hecht, maar niet zo aanrakerig – geen klef gedoe. Dus vond Alan Roos het leuk zijn vader te pesten, vooral als er anderen bij waren, door hem bij vertrek een zoen op zijn wang te geven: ‘Dag pap!’ Vader Martin reageerde altijd op dezelfde manier, verlegen lacherig: ‘Sodemieter op! Rot op joh!’

  Op de feestavond ter afsluiting van het voetbalseizoen, 13 mei 2000, draaide Martin het ‘s om. Toen Alan tegen een uur ’s nachts aankondigde met nog wat vrienden te gaan stappen, liep Martin (‘Ik had een biertje op he’) naar zijn zoon toe en gaf hém een zoen. Alan was helemaal beduusd: ‘Hee, sodemieter op!’

 Gek he, zegt trambestuurder Martin Roos, in zijn flat, waar op de schoorsteenmantel allemaal waxinelichtjes branden, naast de foto van een glimlachende jonge man. ‘Dat je precies op zo’n avond…daarna heb ik hem nooit meer gezien. Ik heb hem nooit meer gezien.’

 De ochtend erop reed hij naar het voetbalveld in Loosduinen, hij moest de boel opruimen, met zijn duffe kop. Roos kwam langs een parkeerterrein, afgezet met rood-wit lint, en zag een boel agenten lopen. Een ‘ouwe Loosduiner, op z’n fietsje’ sjeesde naar hem toe: ‘Heb je het al gehoord? Een afrekening. Er zijn er twee doodgeschoten daar.’ Nou ja zeg, reageerde Roos: ‘Begint het hier ook al? Da’s lekker dan.’

 Een uurtje later belde Irene, de vrouw van Martin. Alan was die nacht niet thuisgekomen, had ze gehoord van de vriendin van haar zoon. ‘Misschien is ie wel tegen een mokkel opgelopen’, probeerde Martin zichzelf gerust te stellen, ‘het is een man van vlees en bloed.’  Rond de klok van een uur besefte hij dat het mis moest zijn: uitvaartverzorger Alan was niet komen opdagen voor het regelen van een begrafenis van een doodgeboren kindje.

 Een paar uur later stond de politie bij Martin Roos voor de deur, in gezelschap van zijn vrouw, dochter, jongste zoon en de vriendin van Alan – ze waren een voor een naar het bureau gegaan om naar hem te informeren. Een blik op de gezichten was genoeg voor Roos. ‘Ik schreeuwde het uit: Alan is dood!’  Hij ‘sloeg dwars door een dichte deur’ en sloot zich op in zijn kamer. De deur ging pas open toen er twee rechercheurs kwamen om met hem te praten: zijn zoon was met een andere jongen gevonden op het parkeerterrein in Loosduinen. Allebei hadden ze drie pistoolschoten in het hoofd.

  ‘Ik ben bang dat hier sprake is van killing for fun’, zei de aanklager later bij het gerechthof over het ontbrekende motief van de moordenaars van de 31-jarige Alan en de 21-jarige Daan. Vermoord voor de lol, suggereerde de aanklager. In koelen bloede.

 Van de crematie herinnert Roos zich alleen nog flarden, flitsen. ‘Ik snapte er niks van joh.’ Er waren een heleboel bloemen, weet hij nog.  Roos heeft gesproken, ‘we hebben allemaal wat gezegd, geloof ik’, maar wát? Een vriend van hem zong My Boy, van Elvis. En hij heeft nog dat beeld op zijn netvlies van die twee grote honden van Alan en zijn vriendin. ‘Die hebben de hele dienst stil voor de kist gelegen. Onvoorstelbaar.’

 Niet lang daarna werden de daders gearresteerd, een vader en een zoon, uit het woonwagenkamp in Loosduinen. ‘Met 150 man ME zijn ze binnengevallen in het kamp’, zegt Roos, ‘kun je nagaan.’ Nooit hebben vader en zoon willen zeggen waarom ze Alan en Daan hebben vermoord, nadat ze de jongens rond vijven ’s nachts waren tegengekomen voor een discotheek. Ook van de rechtszittingen herinnert Roos zich alleen flitsen. ‘Die vader heeft zo’n kop als uit een film, keihard. IJs, zie je in die ogen. Gek. Gewoon gek.’ Een detail staat hem nog helder voor de geest. Hoe ‘die ouwe’ ineens een beweging maakte alsof hij een keel doorsneed, tegen een van de rechercheurs, in de rechtszaal. ‘In de rechtszaal!’, zegt Martin Roos.

  In dat recht heeft hij niet veel fiducie meer. Zowel voor de rechtbank als het hof werd tegen beide daders levenslang geeist. Het hof veroordeelde de zoon tot 12 jaar en de vader tot 20 jaar. Tot groot onbegrip van de familie Roos – de zoon is door de automatische straftrek in 2008 alweer vrij. Sterker nog: hij zou binnenkort wel eens met proefverlof kunnen zijn. Sinds een tijdje weet Roos dat de zoon is overgeplaatst naar een half open inrichting. Het was voor zijn vrouw en hem de reden om hun geliefde Loosduinen na 23 jaar te verlaten en te verhuizen naar deze flat ergens in het Westland, waarvan hij absoluut niet wil dat de precieze ligging bekend wordt. ‘Ik weet niet wat ik doe, als ik hem tegenkom’, zegt Roos (57). ‘Ik ben door de moord op Alan anders in mijn hoofd geworden. Ik herken mezelf soms niet.’

  Zijn vrouw Irene wandelt af en toe de woonkamer in en is dan snel weer weg: ze kan het niet aan met buitenstaanders te praten over de dood van haar oudste zoon. Sinds de verhuizing is ‘Alan weer thuis’, zoals zijn vader het uitdrukt. In de vitrinekast staat zijn urn, naast zijn foto met gedicht en een fles rode wijn plus twee glazen - Alan en zijn vriendin hielden van een glaasje wijn. De boeddha-beeldjes in dezelfde kast hebben niks met het geloof te maken. Alan had een beginnend buikje. Vandaar zijn bijnaam: boeddha.

 In alles voel je het grote verdriet dat hangt in de flat. ‘Alan, 75 maanden’, staat er op de verjaardagskalender in de wc, bij de datum 14 augustus 2006 – 75 maanden dood.  Martin Roos klopt op de leuning van de nieuwe witte leren bank: ‘Dit is maandagavond bezorgd, eindelijk, na acht weken. “So what”, dacht ik.. So what!? Man, vroeger moest de hele wereld weten dat je een nieuw bankstel had.’

 Het leven heeft zijn glans verloren, bedoelt hij maar te zeggen, sinds het verlies van Alan. Hij put kracht uit de stichting die hij heeft opgericht voor nabestaanden van slachtoffers van ernstige geweldsdelicten. ‘Aandacht Doet Spreken’, is de naam, ADS, de initialen van zijn zoon. De stichting is bedoeld om lotgenoten bij elkaar te brengen (inmiddels zijn er ruim 300 mensen bij aangesloten), maar vooral om te ijveren voor langere straffen voor moordenaars en de positie van nabestaanden te verbeteren. Elke brief die Martin Roos verstuurt, aan justitie, politie, slachtofferhulp en noem maar op, verstuurt hij op de veertiende, die zwarte dag dat alles veranderde.

 Ja, natuurlijk is het ook afschuwelijk iemand te verliezen aan een ziekte of auto-ongeluk, zegt hij, ‘maar dan heb je alleen verdriet en gemis te verwerken. Dan is het je eigen plekje, dan is niemand anders er schuldig aan. Nu zit er een heleboel onmacht en woede en kwaadheid bij, waardoor je geen rust kunt vinden. Altijd blijft het gevoel: die klootzakken hebben het gedaan. Die gaan straks weer naar huis. En die zoon wordt misschien nog wel eens vader van drie kinderen. Dat vreet aan je.’

 Tot de moord woonden alle leden van het gezin Roos op vijf minuten van elkaar, niet ver van het woonwagenkamp. Dochter Cynthia woonde samen, jongste zoon Maurice woonde samen, oudste zoon Alan woonde samen, maar ouders en kinderen zagen elkaar nog bijna elke dag. Op foto’s in de gang is te zien wat voor familie het toen was - zo een van kom-erbij-en-pak-een-biertje. Martin dacht in die tijd: ‘Ik ben klaar, met de opvoeding. Nou gaan we genieten.’ En nu is Maurice verhuisd, w`eg van Loosduinen, Cynthia verhuisd, zijn Martin en Irene zelf verhuisd. Het tapijt onder het gezin Roos is weggetrokken.     

 Cynthia heeft  tegenwoordig ‘onuitstaanbare buien’, Maurice (‘Willem de Zwijger’) belt huilend allerlei bekenden als hij alleen thuis zit en te veel heeft gedronken en Irene, zegt Martin zacht, terwijl hij een blik werpt op de gang, ‘Irene moet ik heel goed in de gaten houden’. Een huwelijk in stand houden na zoiets onvoorstelbaars: ‘Het is best moeilijk hoor. Ik zie het bij andere nabestaanden. Ze wonen nog wel bij elkaar, maar leven niet meer met elkaar.’ 

  Hij heeft na de moord ruim een jaar niet gewerkt. ‘Zou je niet weer eens wat willen gaan doen, want het wordt voor ons nu wel lastig’  zei zijn chef- wat denk je zelf? ‘Ik denk helemaal niks, zei Roos, wezenloos. ‘Ik heb helemaal nergens aan gedacht.’ Voorzichtig is hij weer begonnen, ‘stempelautomaatjes repareren, lege trammetjes naar de remise brengen.’ Een instructeur reed een tijdje met hem mee. ‘Als ie weer de wagen opmoet’, adviseerde die man de leiding, ‘dan kan dat alleen ‘s morgens vroeg en alleen op lijn 2. Hij belt niet als er mensen oversteken en hij remt veel te laat.’ Zijn chef zei later: ‘Je belt dan toch? Je remt toch af?’ Nee hoor, antwoordde  Roos, ‘Ikke niet. Dan moeten ze maar wachten.’ Dat zei hij niet uit gemenigheid, dat zei hij uit een soort leegte. ‘Heel raar was ik.’

 Nu werkt hij halve dagen, ’s ochtends, op lijn 2, de gemakkelijkste lijn. Het is goed om op de tram te zitten. ‘Als je niks doet, blijf je weer hele nachten op’, weet hij nog uit de eerste jaren. Al die nachten dat zijn vrouw en hij maar door bleven praten over Alan, zij met een glas wijn erbij, hij met een biertje. Tot ineens tot hem doordrong hoe gemakkelijk een mens alcoholist kan worden.

 Sinds de verhuizing in mei staat ook zijn vrouw weer bijtijds op. Maar Alan is er altijd – ze leven nu al zes jaar in zijn schaduw en geloven niet dat de pijn en woede ooit over zullen gaan.  ‘Je moet verder met je leven’, horen Irene en hij vaak. Maurice en zijn vrouw hebben intussen twee kinderen gekregen. ‘Mooi he, twee kleinkinderen, om het gemis op te vangen’, zeggen buitenstaanders. Martin Roos: ‘Van binnen denk je dan: joh, waar slaat dat op, dat kan toch nooit?’  

 

NRC 22 okt 2005

Martin Roos over de moord op zijn zoon Alan Roos

 

2000 - ,,Er was die zaterdag een toernooi geweest bij de voetbalclub. Mijn jongste zoon Maurice voetbalt daar, ik ben leider van zijn elftal. Alan is zelf geen voetballer, maar kwam even kijken bij het feest van zijn vader en broer, helemaal opgedirkt, hij zag er echt uit als zo'n showpikkie. Hij zou na het feest nog uitgaan.
Op de zondagochtend, het was 14 mei 2000, zou iedereen langskomen, het was moederdag. Daarom vond Irene, mijn vrouw, het vreemd dat ze Alan niet kon bereiken. Ik was terug naar de club gegaan om na het feest op te ruimen. Maurice moest ook komen, discipline hé. We hebben alletwee met de kater in onze kop staan poetsen. Op weg naar de club reed ik nog langs die overdekte parkeerplaats, zag politieauto's met van die rood-witte linten. Ik hoorde dat er twee waren doodgeschoten. Ik dacht nog: begint dat nou hier ook al? Om één uur belde Irene weer, Alan liet nog steeds niets van zich horen. Toen dacht ik: hier klopt iets niet. Alan moest die zondagmiddag in het uitvaartcentrum waar hij werkte een uitvaart regelen. Hij neemt zijn werk zó serieus. Ik dacht van alles, dat hij misschien een slippertje had gemaakt, dat soort dingen.
We hebben iedereen gebeld, de ambulancedienst, het ziekenhuis, niemand had hem gezien. Mijn dochter en haar vriend gingen naar het politiebureau, om te zeggen dat haar broer zoek was. De politie vroeg of haar broer littekens had, zij dacht van niet. Ook niet op zijn pols, wilde een agent weten? Daar had Alan wel een litteken. Toen wisten ze het daar dus al. Irene werd ongeduldig, en is met de buurvrouw naar het bureau gegaan. Dus stond mijn dochter opeens oog in oog met haar moeder. Je kan je voorstellen hoe dat geweest moet zijn. Om een uur of zes stopten er auto's voor ons huis, er stapten allemaal vreemde kerels uit. Ik zag de gezichten van mijn dochter en Irene. Ze kwamen het huis in, voor mij leek het een hele massa, maar het waren er een stuk of vier. Voordat de politie iets zei wist ik het al. Ik hoorde iemand zeggen dat Alan dood was. Ik wilde wel direct weten hoe. Hij was in zijn hoofd geschoten. Ik ben naar achteren gelopen en heb een deur kapot geslagen. De politie moest me vasthouden, ik ging maar door. Mijn vrouw heeft ook van alles beetgepakt en kapot gegooid. Ze haalde haar hand ook open.
We hebben er later nog over gepraat, maar een heel stuk weet ik gewoon niet meer, de dagen erna zijn allemaal leeg. Ik ben gelijk mijn kamer ingedoken, Maurice zat bij me. Ik weet echt niet meer wat we daar deden. We zullen wel gepraat hebben. Ik denk er liever niet aan, ik krijg er hoofdpijn van.
Die rechercheurs moesten direct zoveel weten. Wat voor jongen het was. Ze deden huiszoeking, namen zijn computer en digitale agenda in beslag. Zelfs op zijn werk zijn ze geweest. Dan wordt je zó boos. Allemaal in het belang van het onderzoek, zeiden ze. We mochten Alan zondag niet zien, hij lag in Rijswijk voor forensisch onderzoek. Maandag lag  hij in het uitvaartcentrum, waar hij werkte. Ik heb daar net als Alan gewerkt, duizenden doden gezien. Maar als je daar staat snap je er geen pest van. Nu nog niet.
We zijn daar een paar uur geweest. Staan, zitten, bij hem gaan staan, dan weer zitten. Je moet nog opletten ook. Hij was door zijn hoofd geschoten, je bent dan natuurlijk gerepareerd, mooi gemaakt. Mijn vrouw en zijn vriendin wilden hem steeds beetpakken, maar als ze te dichtbij kwamen haalde ik ze terug.
Gek eigenlijk, we hebben direct die parkeerplek waar ze gevallen zijn met bloembakken afgezet. Die bloemen groeien natuurlijk niet onder dat dak, dus we moesten steeds nieuwe planten. We zaten daar elke avond, op de grond. Samen met de moeder van die andere jongen. In het begin waren er ontiegelijk veel mensen. We hadden daar ook een tafel met een groot boek neergezet, voor als mensen iets wisten of zo. Een mens doet gekke dingen. Die strijd om die parkeerplek is gelijk al mijn afleiding geweest, ik ging niet piekeren of snotteren. Dat was mijn manier van wraak nemen, niemand mocht daar meer parkeren. Toen er eens een stel jongens luid toeterend langsreden ben ik ze achterna gereden. Ik heb ze tot Kijkduin achtervolgd. Ze reden de boulevard op en vluchtten in de duinen. Pas toen ik ze zag wegrennen, dacht ik, wat ben ik nou aan het doen?Nu zie ik die plek nog zo'n vier keer per week, ik kom er langs als ik boodschappen doe. En elke veertiende van de maand zetten we twee roosjes neer. Dat is Irene haar protocol. Ik moet rijden, dus ik ben erbij.
Ik doe het anders dan Irene. Soms denk ik wel, pleur nou maar op, nou ga ik alleen wonen. Je moet heel goed oppassen, want je kan heel weinig hebben van elkaar. Mijn vrouw heeft onnoemelijk veel gehuild. Ik keek heel lang geen tv, maar zij keek naar elke film waar veel in geschoten werd. Als ik dan binnenkwam ging ze huilen. Dan werd ik van binnen wel giftig.
We konden best wel een potje bekvechten, maar gelukkig had één van ons altijd een wijs moment. Je moet eigenlijk niets van elkaar vragen. Irene ging na de crematie elke middag naar de urn van Alan. Dat heeft ze een jaar uitgehouden. Ze kon daar uren zitten. Nu kan ze er niet meer alleen zijn.
Je gaat op zoek, ik ging de buurt in, sprak met allemaal bizarre mensen die van alles gezien hadden. Ik zat bijna dagelijks met die onzin bij de politie. Wat wel heel gek was dat ik meteen dacht dat het kampers waren, omdat die auto waarin ze dood zijn geschoten vlak bij het woonwagenkamp uitgebrand was teruggevonden. Daar ben ik door de politie nog over verhoord, want die wilden weten hoe ik dat wist.
Ik wist via een kennis binnen drie uur dat er kogelgaten in die auto zaten. En ik kwam er ook al snel achter van wie die auto geweest was. Ik was geen Sherlock Holmes hoor, ik vertelde alles direct door aan de politie. Die vond dat wel verwarrend, dat ik zoveel wist.
Ik heb wel eens voor dat huis van de eigenaar van die auto rondgehangen, maar er was nooit iemand. Toen mijn vrouw met de buurvrouw daar ook de hele dag gingen staan vond ik het gevaarlijk worden, dat wilde ik niet. Ik hoorde van de rechercheurs dat ze twee mannen op het oog hadden, een vader en zoon. Uiteindelijk hebben ze 150 ME'ers ingezet om die twee mannen uit het woonwagenkamp op te pakken, zo bang waren ze.
We hebben met het hoger beroep erbij bij elkaar elf dagen in de rechtszaal gezeten. Die zoon vertelde alles. Dat ze met z'n vieren terugreden van de discotheek, dat zijn vader opeens die andere jongen door zijn hoofd schoot, en toen Alan die voorin naast hem zat. En dat ze de jongens gedumpt hebben op de parkeerplaats. De jongens bewogen nog, vertelde die zoon, dus toen schoot zijn vader nog een keer.
Maar we weten nog steeds niet waarom, omdat die vader niets zei. En zijn zoon hem de schuld in de schoenen schoof. Wij geloven die zoon niet, die is heel gevaarlijk, volgens ons heeft hij geschoten. Mijn vrouw heeft zelfs gebruik gemaakt van het dadercontact. Ze is die zoon in de gevangenis gaan opzoeken om te vragen waarom Alan was doodgeschoten. Moet je aan m'n vader vragen, zei die jongen. Irene heeft nog geprobeerd bij die vader te komen, maar die wilde niet. Toen die vader en zoon maar twintig en twaalf jaar kregen, schrok ik, ik had gehoopt dat het levenslang zou zijn. Sindsdien heb ik zoiets dat ze van mij alle universiteiten waar juristen zitten mogen opblazen. Ik kon tijdens de zaak ook niets zeggen, dat vond die rechter niet nodig. Gelukkig bestaat er nu wel een slachtofferverklaring, daar hebben wij wel aan meegewerkt, ja. Het begon bij die rechtszaak. Ik voelde me daar behandeld als een bioscoopbezoeker, minder dan dat. En ik kwam er echt niet omdat ik mijn zakmes kwijt was. Zat ik buiten die zaal, moest ik daar ook die familie van die klootzakken in het gezicht kijken. We waren zo zenuwachtig, zo gespannen. Was het lunch, waren de broodjes in de kantine op. Een normaal mens gaat naar buiten, maar wij durfden niet. We waren bang iets te missen. En zag ik, met een lege maag, na de pauze die rechters nog de kruimels van hun lippen likken. Ik was woest, ik voelde dat ik voor joker stond. Die man in het verdachtenbankje was meer dan ik. Ik dacht, er moet wat gebeuren. Ik ging op zoek naar lotgenoten, een verschrikkelijk woord. Maar al snel bevielen die stille tochten, die praatavonden me niet. Ieder moet het op zijn eigen manier doen, ik ben meer een schopper. Dus ik richtte de stichting Aandacht Doet Spreken op. Op 2 januari 2003, Alan's geboortedag. Ik was er twintig uur per dag mee bezig. Ik wil dat mensen hun ervaringen kunnen delen, dat ze elkaar kunnen helpen. Ik wil dat slachtoffers meer aandacht krijgen in de rechtszaal. En ik wil zwaardere straffen.Maurice komt elke dag langs de parkeerplaats. Hij haat die plek. Vertelde hij me dat hij de broer van die man regelmatig zag. Ik moet hier weg, zei Maurice toen. We hebben zijn huis driftig verbouwd, tuin, schuur, we hebben zelfs een volière neergezet, allemaal afleiding natuurlijk. Hij is toch verhuisd. Vroeger woonden we allemaal tien minuten van elkaar. We waren zó hecht. We droomden ervan naar Limburg te verhuizen. Ik zou met de vut, misschien een herbergje of zo bij de Geul. Alan zou werk zoeken in de omgeving. We hadden plannen gemaakt, zelfs al wat plekken bezocht.
Het ergste is die twee kinderen, dat die nog zo lang moeten doorleven met die shit. Drie weken geleden trouwde mijn dochter. Dan straalt ze opeens, ze ziet er prachtig uit, het is een mooie meid. Maar dan zie ik al snel weer dat lege in die ogen. Ik geloof, dat het niet te repareren is. De kinderen lachen alleen als pap en mam in de buurt zijn, denk ik wel eens. Dat gaat op zijn haags, iedereen lult er over heen. Vorige week was mijn zoon alleen thuis, ging hij opeens dingen kapot gooien. Hij vertelde mij: pa, het gaat niet goed met me, ik ben onredelijk tegen mijn vrouw. En dan zit ie steeds op zijn lip te bijten, dat deed ie nooit, daarvoor. En het houdt nooit op, als de een klaar is, begint de ander weer. Daar loop ik heel erg over te malen.
Over een paar jaar komt de eerste alweer naar buiten. Ik ben daarom serieus bezig met verhuizen. Ik zou het liefst heel ver weg gaan, maar ik krijg Irene niet meer mee. Ik wil eigenlijk in zo'n flat aan zee wonen. Die ruimte, als je uitkijkt over het water, die rust, dat lijkt me heerlijk. Lekker met mijn hondje door de duinen wandelen.
Na Alan heb ik nooit meer een voet in het uitvaartcentrum gezet. Ik ben nu weer halve dagen trambestuurder. Ik ben eigenlijk heel raar geworden, zeg wel eens lelijke dingen tegen mensen die het alleen maar goed bedoelen. Er zijn dagen dat ik jou geen kaartje verkoop als je op centraal station instapt. Want je mag daar niet zonder kaartje het perron op. Als je dan met mij in discussie gaat, denk ik, godverdomme klootzak, ik geef je een stomp. Klote vind ik dat, want normaal doe ik niet zo, maar op dat moment kan ik niet anders. Als ik zo'n bui heb, kan ik beter niet de straat op gaan. Dus dan zeg ik, laat mij die halve dag maar wc's schoonmaken, of de vloer vegen. Maar dan zeggen ze dat ik moet rijden of dat ik me ziek moet melden. Dus meld ik me ziek.
Soms heeft mijn vrouw slechte dagen, enorme huilbuien. Zitten we tot half vier half vijf 's nachts te praten. Al zuip ik een heel krat bier leeg, en zij een hele fles wijn, als je er maar uit komt. Dat helpt. Juist als ik te veel drink, kan ik makkelijker praten. Als ik me verslaap interesseert het me niet. Als mijn baas er wat van zegt, interesseert dat mij ook niet. Dan zegt hij dat ik meer mijn best moet doen. Ik doe mijn best, beter kan ik niet. Ik moet aan mezelf en mijn vrouw denken.
Vorige week kregen we een tip. Er zou een man in Groningen zijn die met een foto van Alan een portret van hem kan maken alsof het vijf jaar later is, zoals hij er nu uit zou zien. Maar dat kost wel weer twee honderd euro.

 

www.alanroos.nl 

 

 

Gelezen in het BN de stem op zaterdag 4 februari 2006, alleen de kop al van dit artikel is voor vele een zin die vraagtekens oproept. Levenslang tot de dood? Een leven lang is toch vanaf geboorte tot de dood.

Moet levenslang wel tot de dood?            zaterdag 4 februari 2006            Klaas de Graaff

Het aantal levenslang gestraften in neemt flink toe.

Dat is logisch, het aantal moorden en slachtoffers is schrikbarend hoog, moordenaars en verkrachters zien niet meer op tegen de voormalige korte toch wel comfortabele gevangenisstraffen.

Tegen de tijd dat Mohammed B. stramme knieën krijgt, moet de gevangenis worden aangepast.

Als men als criminoloog deze barbaar als voorbeeld neemt om niet levenslang te straffen, heb ik zo mijn twijfels over zijn kunde en eigenlijk ook dit schrijven.

Je kunt je afvragen of tandeloze oude misdadigers vast moeten blijven zitten.

Waarom moeten wij ons dit afvragen, als je een oude moordenaar bent moet je dan maar weer vrij rondlopen? Is het leed dat oude tandloze veroorzaken anders dan het dat jonge misdadigers plegen?
Een nieuw kunstgebit en facelift en daar gaan ze weer.

Toch vormen zij niet het grootste probleem: er zijn veel meer tbs'ers die nooit meer vrij zullen rondlopen.

Wat heeft Klaas met levenslang gestrafte moordenaars die niet in een TBS kliniek zitten?

Levenslange gevangenisstraf wordt de laatste jaren steeds vaker opgelegd.

Dat hebben we al gehad in de eerste zin, dus nog 1 keer voor alle duidelijkheid, het is logisch, het aantal moorden en slachtoffers is schrikbarend hoog, moordenaars en verkrachters zien niet meer op tegen de voormalige korte toch wel comfortabele gevangenisstraffen.

Waren er tien jaar geleden een stuk of vijf, nu herbergt Nederland dertig gevangenen die levenslang moeten zitten. En het einde is nog niet in zicht.

Een bevestiging, het aantal moorden en slachtoffers is schrikbarend hoog en gelukkig worden veel moordenaars opgepakt.

Dit houdt in dat de gevangeniscapaciteit voor deze groep groter moet worden en dat de gevangenissen moeten worden aangepast.

Wat ons betreft, de minister en Justitie zijn nog steeds zeer humaan ten opzichte van deze levenslang gestraften, wij zeggen halveer de cellen. Een bed, een stoel en een kast is genoeg.

Voor een deel heeft minister Piet Hein Donner van Justitie voor het cellentekort een oplossing gevonden in de tweepersoonscel. Ook de zaaltjes met zes kortgestraften, waar de gevangenis in Lelystad kort geleden mee begon, zijn niet het ei van Columbus.

Wat dit met levenslang gestraften te maken heeft snappen wij niet helemaal. Is Klaas een ex- gedetineerde of een ontslagen Justitie medewerker?

Meermanscellen lenen zich niet voor lange straffen.

Waarom niet?

Levenslang gestraften brengen een groot deel van hun leven in afzondering door.

Hun slachtoffers zijn beroofd van een groot deel van hun leven, nabestaanden hebben levenslang gemis en verdriet. Weet de criminoloog Klaas wat deze mensen voelen en meemaken?

Dit betekent dat justitie zich moet opmaken voor opvang van ouderen.

Hoezo? Dit soort past zich overal aan, ook als ze ouder worden.

Medische zorg wordt meer geriatrisch op het moment dat Mohammed B. stramme knieën krijgt of dement wordt.

Klaas heeft wat met Mohammed dat kan bijna niet anders, maar geen zorgen deze moordenaar wil onze hulp niet en zal tegen die tijd heus wel vrij zijn.

Zijn de nauwe doorgangen in de gevangenis wel breed genoeg om er een rolstoel doorheen te loodsen?

Weet Klaas wel dat er openbaar vervoer en openbare gebouwen zijn die niet eens fatsoenlijk toegankelijk voor invaliden in rolstoel die nog nooit iemand hebben kwaad gedaan.

Zijn de toiletpotten hoog genoeg voor iemand van 75?

Bijna nergens, dus daar misschien ook wel niet. Het verschil tussen die 75 jarige gedetineerde en de 75 jarige vrije burger die geen toiletpot heeft die hoog genoeg is, als de oude gedetineerde het ernaast doet wordt het schoongemaakt en als de oude vrije burger het ernaast doet moet hij het zelf schoonmaken.

Beschikt de gang naar de recreatieruimte wel over een leuning langs de muur om valpartijen te voorkomen?

Heel veel seniorenwoningen en bejaarden huizen hebben ook geen leuning langs de muur.

Nederland heeft nauwelijks senioren achter tralies.

Straks, als men de levenslange gevangenisstraf voor moordenaars blijft toepassen, over een paar jaar wel dus. Senior nabestaanden zitten ook hun verdere leven achter onzichtbare tralies.

Hun aantal is een fractie van het aantal jonge gedetineerden. Dat is geen wonder, want criminaliteit vergt vaak grote lichamelijke inspanning en jongeren houden er andere hobby’s op na dan ouderen.

Bizarre uitspraak, alsof criminelen sporthelden zijn ' criminaliteit vergt vaak grote lichamelijke inspanning'.

Onlangs zijn strafrechtsgeleerden zich gaan afvragen of levenslang in alle gevallen tot de dood moet duren.

Helaas, ook deze 'strafrechtsgeleerden' (deskundigen) houden zich alleen bezig met strafrecht en hebben nooit studie gemaakt van slachtoffers en zeker niet hoeven meemaken wat slachtoffers hebben of moeten meemaken. Nee, ook de deskundigheid van deze mensen is te beperkt.

Het antwoord hangt af van het uitgangspunt dat men hanteert. Voorop staat de ernst van het strafbare feit. Bij meervoudige moord of andere ernstige levens- of zedendelicten gaat het in de eerste plaats om vergelding.

Juist 'de ernst van het strafbare feit' bij moord, meervoudige moord of andere ernstige levens- of zedendelicten gaat het om vergelding, niet alleen voor slachtoffer maar ook voor de samenleving. Een levenslange gevangenisstraf na het plegen van moord of andere ernstige levens- of zedendelicten is de enige straf die het rechtsgevoel en geloofwaardigheid in een rechtstaat van burgers kan behouden.

De rechtsorde is zo geschonden dat de rechter niet om een forse straf heen kan.

De rechtsorde is niet geschonden, de rechtsorde is aan het herstellen, en dat is waar rechters nog even aan moeten wennen. De rechter behoort recht te spreken, te straffen met gelijke straffen die in wet staan geschreven en nergens omheen kan.

Daarnaast is het voor de rechtshandhaver van belang of de misdadiger een blijvend gevaar vormt voor de samenleving, want die heeft recht op bescherming. Maar wat is blijvend gevaar?

Dat is van tevoren moeilijk te bepalen, als we dat wisten dan hadden we de dood van al die slachtoffers kunnen voorkomen. Maar wat we wel weten van deze moordenaars, is dat zij er toe in staat zijn en daarbij dus kunnen aannemen dat zij toch een gevaar zijn voor de samenleving. Voorkomen is beter dan nog meer slachtoffers. Meer moordenaars in cellen is altijd beter dan uitbreiden van begraafplaatsen en crematoria.

Vaak bepaalt het beeld van het moment het oordeel van de rechter.

Dit is ook zeer beperkt, er zijn meer misdadigers die niet de maximum straf krijgen dan misdadigers die levenslang krijgen opgelegd. Rechters zouden juist wat meer 'het beeld van moment', uitvaart van slachtoffers, stille tochten en huisbezoeken nabestaanden van slachtoffers moeten bijwonen.

Wordt het niet tijd om met enige regelmaat na te gaan of een levenslang gestrafte niet langzamerhand toe is aan gratie?

Misschien, maar dan alleen als slachtoffers / gedupeerden daarover mogen mee beslissen.

Daar valt wel wat voor te zeggen, want ook vergelding kent grenzen.

Dat bedoelen wij dus, tot hoever die grenzen gaan kunnen alleen de slachtoffers bepalen.

Zelfs de twee oorlogsmisdadigers uit Breda kregen in 1989 gratie.

Maar niet als de slachtoffers / gedupeerden hierbij inspraak hadden gehad.

Al in 1966 mocht de doodzieke Willy Lages, na 21 jaar detentie, de gevangenis verlaten.

Een slechte zaak, want als deze zou herstellen en in herhaling zou treden, dan .........

Minister van Justitie, Dries van Agt, moest echter in 1972 zijn plan om de overgebleven ‘drie van Breda’ gratie te verlenen haastig intrekken om een motie van wantrouwen te voorkomen.

Logisch, er zijn veel Nederlanders profijt hebben gehad of rijk geworden in de jaren 40/45, een beerput is zo geopend. Dat zal voor vele niet wenselijk zijn geweest op dat moment.

Joseph Kotälla stierf in 1979 in de gevangenis.

Een duidelijk voorbeeld van levenslang tot de dood.

Tien jaar later slaagde minister Korthals Altes er wel in gratie te bewerkstelligen voor Franz Fischer en Ferdinand Aus der Fünten.

Gedurfd, heeft absoluut bijgedragen aan verlies van vertrouwen in de rechtsstaat en rechtsorde. Heeft geleid tot teleurstelling en woede van vele slachtoffers / gedupeerden.

Ook de beruchte Berkelse arts O. die in 1952 zijn vrouw en in 1958 een medegedetineerde vergiftigde en twee maal levenslang kreeg, stierf in vrijheid. Hij kwam in 1975 vrij en overleed acht jaar later.

Is een voortvloeisel uit het wanbeleid van Korthals Altes en onaantastbare macht van de rechtsorde.

Meervoudig moordenaar Hans van Z. zat van zijn levenslange straf slechts negentien jaar uit.

Niet alleen de slachtoffers en hun nabestaanden van Hans van Z., ook de slachtoffers en nabestaanden van de vele andere (meervoudige) moordenaars, hebben wel levenslang gekregen zonder een moord te plegen.

Onlangs is de maximale straf van twintig opgewaardeerd tot dertig jaar.

Een zoveelste lachertje, moord = moord, en de enige terechte straf = levenslang. Maximale straf?

Volgens het huidige systeem worden mensen met deze straf na twintig jaar vrijgelaten.

De nog steeds voor slachtoffers onverklaarbare korting, opvallend dat deze korting nooit wordt genoemd of uitgesproken tijdens het vonnis en ook niet geschreven staat in het arrest.

Justitie wil af van dit automatisme en alleen nog gedetineerden vervroegd vrijlaten van wie de kans op recidive gering is.

Maar dan alleen als slachtoffers / gedupeerden daarover mogen mee beslissen.

Bij tbs'ers wordt dit periodiek bekeken.

Gaat helaas heel vaak mis, de TBS'er is meestal slimmer en gevaarlijker dan men in de gaten heeft.

Wie gevaarlijk blijft en onbehandelbaar blijkt, wisselt zijn dwangverpleging in voor levenslang, eufemistisch long stay genaamd. Er zijn nu al driehonderd mensen in de long stay, een aantal dat groeit en waarbij de dertig ‘echte’ levenslang gestraften mager bij af steken.

TBS of 'echte' levenslang gestraften, het zijn en blijven moordenaars, gevaren voor de samenleving.

Minister Donner doet er goed aan een goede architect in de arm te nemen.

Wij zijn bereid en melden ons aan als ervaringsdeskundigen.


Klaas de Graaff is criminoloog

Martin Roos is ervaringsdeskundige.

 

 

 

 

Zaterdag 14 mei 2005, ondanks onze overtuiging die wij enige weken geleden nog hadden om geen aankondigingen te versturen voor een herdenking van onze zoon Alan en Daan de Blok en hadden gekozen voor herdenken en in alle stilte bloemen te leggen bij dit monument, hebben wij na het meebeleven van de manifestatie tegen geweld in Delfzijl op het laatste moment alsnog gekozen een aankondiging te versturen en te spreken op deze avond 14 mei 2005. Die bewuste 5 mei 2005, Bevrijdingsdag en feest met daartussen het moment van respect en medeleven van al die mensen uit de plaatsen Farmsum en Delfzijl, de tocht en het oplaten van 500 witte ballonnen, de zeer goede toespraak van de burgermeester hebben onze eerdere beslissing doen veranderen. Het was nog kort dag, maar met de hulp en inzet van Jan Weerdenburg, Jeffrey Bloem, Alex Tournier en Wilco Eckhardt is dit toch nog allemaal gelukt. Ik wil hen ook in deze nogmaals bedanken voor alle hulp en aanwezigheid. Wij hebben geen spijt dat wij deze keuze hebben gemaakt, wij hebben zelfs een heel goed gevoel overgehouden na de herdenking. De aanwezigheid van al die mensen (volgens zeggen 160 personen) en vooral de aanwezigheid van veel ADS lotgenoten heeft ons heel erg gesterkt. In deze wil ik ook alle lotgenoten die aanwezig zijn geweest en ook alle lotgenoten die ons een kaart, brief of email hebben gestuurd heel erg bedanken voor hun steun. Deze ervaring ondersteund de doelstelling van ADS, de lotgenoten contact groep, die d.m.v. het versturen vanuit het ADS bestand veel mensen bereikt. Het kan iedereen helpen mits men tijdig een aankondiging aan ADS stuurt. ADS verzend en plaatst deze op de website. Met deze ervaring hierbij ons advies, maak gebruik van uw en onze website ADS, publicaties m.b.t. aankondigingen, ervaringen, berichtgevingen of anders. Laat uw stem horen, uw ervaring lezen. 

Martin en Irene Roos.

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

Contact

A.D.S.home

Gastenboek

  Inschrijven

 TV en Radio

 

INDEX

 Interview 005