Ik wil graag die dingen er in hebben die
mij hebben bewogen om dit stuk te laten plaatsen.
a)Dat de schietverenigingen het wapen op de
schietvereniging moet opbergen.
b)Dit moet dan door de politiek in wet
gegoten worden om herhaling van het gebeurde te voorkomen.
c)Tevens zijn wij van oordeel dat de
dader,nadat er wettig en overtuigend bewijs is ,veroordeeld moet worden
voor zijn daad.
Vier
maanden na de verbijsterende gebeurtenissen zijn Jan en Nel Borger uit
Nijmegen, de vader en moeder van Sandra, nog steeds verbitterd. Zo hebben
zij van de ouders van Appie nooit enige blijk van medeleven ontvangen. Ook
de kille reactie van een woordvoerder van de schietvereniging waarvan de
moordenaar van hun dochter lid was, heeft hen geschokt. Bovendien had de
drievoudige moord naar hun idee voorkomen kunnen worden. Het is
voornamelijk Jan die in afgemeten zinnen het woord voert.
“Ik
vroeg aan die schietclub: hoe komt iemand bij jullie aan een wapen? En
moet zo iemand nog een psychologische test ondergaan? Maar die man
reageerde alsof híj slachtoffer was. Ook de politiek laat het erbij
zitten. Hoeveel idioten als Appie lopen er nog meer met een wapen rond?
Maar als de politie z’n werk goed had gedaan was het niet gebeurd. Vlak
nadat zij uit elkaar gingen heeft Sandra aangifte gedaan van bedreiging.
Als die politieman dat serieus had genomen, hadden ze uit voorzorg dat
wapen en die munitie bij Appie kunnen ophalen.”
In
de woonkamer van de Nijmeegse woning is Sandra alom tegenwoordig. Op de
computer in de hoek kijkt zij als 12-jarig meisje melancholiek de kamer
in. En vlak naast de kachel staat een glazen urn met haar as waarop
permanent een kaarsje brandt.
Zeventien
is hun dochter als ze Appie leert kennen. De vonk slaat over in de
cafetaria Picadilly aan de Generaal Smitsstraat in Nijmegen waar de
19-jarige jongen op kamers zit. Enkele weken later al ontvlucht Sandra de
ouderlijke woning. “Een kwestie van: liefde maakt blind,” zegt haar
vader. De ouders komen er al snel achter dat hun dochter met haar vriend
inwoont bij diens zuster. Sandra’s
moeder probeert haar dochter te overreden weer naar huis terug te komen.
Tevergeefs. Het bezoekje leidt slechts tot dreigementen van Appie.
In
de jaren daarna is er geen contact met hun dochter. Dan overwint Jan
Borger zijn Friese koppigheid en rijdt samen met zijn vrouw naar Dodewaard,
waar het stel inmiddels een eigen woning heeft. Sandra is erg blij haar
ouders te zien. Ook Appie gedraagt zich ‘correct’.
“We
komen daarna af en toe langs. Dol op Appie zijn we niet. We gedogen hem.
Voor Sandra. Dan hoor ik opeens dat ze inwonen bij de ouders van Appie,
enkele straten verderop. Ze hadden huurschuld en waren door de
woningbouwvereniging uit hun woning gezet. Vanaf dat moment ging het fout.
Sandra moest haar geld afgeven aan zijn ouders die de schulden zouden
afbetalen. Sandra had zelf niets meer.”
Jan
en Nelly Borger komen wel eens langs op de Julianalaan. “Ons slag mensen
was het niet. Vader was heel onderdanig en moeder heel dominant. Appie was
duidelijk haar lievelingetje. Maar het waren geen onaardige mensen.”
De
Borgers ergeren zich wel steeds meer aan hun inmiddels 130 kilo zware
schoonzoon. Vooral aan het feit dat hij vaak ‘zonder boe of bah te
zeggen’ op de bank naar de televisie ligt te kijken. “Het was een
dooie. Er zat geen fut in.”
Sandra’s
vader: “Werken deed Appie niet veel. Dat was een vies woord voor hem. Ik
heb een keer een baas van hem gesproken die hem had ontslagen omdat hij te
vaak ziek was. Zijn grootste wens was om in de WAO te komen, zei hij eens.
Maar wel geld uitgeven. Aan computerspullen, modelbouwauto’s en die
schietvereniging. Terwijl Sandra geen geld had om kleren te kopen. Ten
einde raad heeft ze toen een paar keer geld uit de kassa genomen van de
supermarkt waar ze werkte. Ze werd op staande voet ontslagen. Nee,
gelukkig vonden we haar er nooit uitzien.”
Dan
begint na bijna elf jaar de relatie te imploderen. Niet in het minst door
Appies ziekelijke jaloezie. Volgens haar ouders wordt Sandra steeds meer
door haar vriend gecontroleerd. Zelfs als ze telefoneert.
Op
oudejaarsavond 2003 barst voor de eerste keer de bom. Sandra wil graag
naar een feest. Appie heeft geen zin. Er ontstaat een heftige
woordenwisseling waar de politie aan te pas moet komen.
Jan
Borger: “Het wordt steeds duidelijker dat het over is tussen die twee.
Wij hadden al een paar keer stiekem met haar gechat
dat ze bij ons altijd welkom was.”
Dan
komt op 3 maart het lang verwachte telefoontje van Sandra. Ze is alleen op
de Julianalaan en wil worden opgehaald. De Borgers regelen een grote auto
en Sandra wordt uit angst voor Appie op een geheim adres ondergebracht.
Jan
Borger: “Ze was bang voor hem en we wisten dat hij een wapen had.”
Enkele
weken later komt Sandra weer thuis wonen. Volgens haar ouders bloeit ze
helemaal op. Appie probeert nog in contact te komen, maar Sandra stuurt
hem een koel briefje. ‘Ik zal je
nog even duidelijk maken waarom ik ben weggegaan. Ik had steeds het idee
dat ik op de tweede plaats kwam. Alles wat jij wilde gebeurde en wat ik
wilde, zoals mijn rijbewijs halen, werd afgeketst met de woorden: het is
te duur.’ Bovendien schrijft Sandra dat zij niemand
anders heeft. Verder
wil ik dat je mij met rust laat en dat ieder zijn eigen weg ingaat.
Maar
Appie laat haar niet met rust. Hij doet bij de politie in Kesteren
aangifte van verduistering van wat spullen, onder andere een
modelbouwauto. Sandra beweert dat de spullen van haar zijn, maar om de
zaak te sussen geeft Sandra op verzoek van haar vader de auto terug.
Tijdens het verhoor maakt Sandra er ook melding van dat zij van vrienden
had gehoord dat Appie haar bedreigde. Met die opmerking doet de politie
echter niets.
In
Dodewaard wordt het voor vrienden en kennissen intussen steeds duidelijker
dat Appie het verbreken van de relatie niet kan verkroppen. Hij is snel
aangebrand. Nou was Appie nooit een makkelijke jongen. Altijd al ‘een
beetje een macho’, ‘een
opgefokt type’ en iemand ‘met losse handjes’. Volgens een bekende
was Appie ervan overtuigd dat Sandra een relatie had. Dat maakte hem
razend.
Volgens
haar ouders was dat niet zo. Maar Sandra maakt er in de weken voor haar
dood geen geheim van dat ze zeer goed kan opschieten met Marco. Een
vrachtwagenchauffeur die ze heeft leren kennen in het clubje dat een
fascinatie deelt voor radiografisch bestuurde auto’s en vaak samen komt
in Scale Line.
Nu
Sandra thuis woont, komt zij ook weer in contact met haar vroegere
vriendin uit de buurt, Natasja Peeters. Het zal voor de 26-jarige moeder
van twee kinderen een fatale hereniging worden. Op 15 april vergezelt
Natasja Sandra naar het winkelcentrum in Tiel waar zij een afspraak heeft
met Scale Line-eigenaar Ton.
Natasja heeft volgens haar man Erwin wel zin in een verzetje na een dag
vervelende onderzoeken in het Nijmeegse Radboudziekenhuis.
Erwin
houdt zielsveel van Natasja. Zij is de vrouw die hem, zoals hij het zelf
zegt, uit de goot heeft gehaald toen hij verslaafd was en dakloos. “Hoe
ik verder moet, geen idee. Mijn hart en ziel is weggerukt. Soms denk ik
aan zelfmoord. Maar ik heb twee kinderen van vijf en twee. Voor hen moet
ik door. Ik vraag me alleen af hoe lang het verstand het wint van het
gevoel.”
Somber
kijkt hij naar het dressoir. Daar is met foto’s en waxinelichtjes een
altaartje ingericht voor zijn overleden vrouw.
Was
het trouwens die ‘zielsverwantschap’ met Natasja die hem die
donderdagavond zo onrustig maakte? Had het te maken met de bedreigingen
van die ex-vriend waar Sandra vaak over vertelde? Voorvoelde hij onbewust
het drama dat hen beiden wachtte? Erwin weet het niet, maar feit is dat
hij op hetzelfde moment dat Natasja door het achterhoofd wordt geschoten
de drang voelt om alle nog niet ingeplakte foto’s van zijn geliefde uit
het hele huis te verzamelen.
Vrijwel
op hetzelfde moment staan Jan en Nel Borger voor het station in Tiel op
hun dochter te wachten. Sandra had hen gevraagd haar rond acht uur op te
pikken. Als het te lang duurt rijden ze naar het winkelcentrum aan de
Kwelkade. Daar houdt een agent hen tegen. Jan vraagt of zijn dochter in
het winkelcentrum is en geeft een pasfoto van Sandra af. Enkele
ogenblikken later komt de agent terug om hen te condoleren. “Dan stort
je hele wereld in”.
Pas
om half tien wordt Erwin gebeld door een vriend. Die was op zijn beurt
benaderd door Sandra’s vader die op het bureau van Tiel werd verhoord.
Of hij het al wist. Wat wist? Dat Natasja bij een schietpartij betrokken
was. Erwin belt meteen de mobiele van Natasja en krijgt een arts van het
Radboudziekenhuis aan de lijn. Of hij zich kon identificeren. Erwin noemt
de plekken op het lichaam van Natasja waar zij tatoeages en piercings
heeft en hoort dan van de arts dat hij zich op het ergste moet
voorbereiden. Rond tienen betreedt Erwin het ziekenhuis waar zijn vrouw
diezelfde dag al urenlang heeft doorgebracht. Natasja blijkt met fataal
hersenletsel te zijn binnengebracht en overlijdt een dag later.
Op
21 april wordt voor de twee vriendinnen een gezamenlijke uitvaartdienst
gehouden. Jan Borger laat een tekst voorlezen waarin hij en zijn vrouw
Sandra bedanken ‘voor die zes weken die wij samen hebben mogen beleven,
die waren voor ons geweldig.’ Erwin draagt een door hem zelf gemaakt
gedicht voor.
Ook
Erwin kan drie maanden later zijn verbittering nauwelijks verbergen. Zo
krijgt hij als alleenstaande vader van geen enkele instantie hulp.
Bovendien voelt hij zich door politie en justitie met een kluitje in het
riet gestuurd.
“De
officier van justitie bij wie ik kwam met veertig vragen keek na drie
vragen al op zijn horloge. En op die eerste drie kon hij niet eens
antwoord geven.”
Erwins
verwarring is begrijpelijk. Zo krijgt hij van agenten tegenstrijdige
informatie over wat er zich ín en vóór de modelbouwwinkel heeft
afgespeeld; of er nou wel of geen videobeelden zijn van de
bewakingscamera’s en over wie nou die man was die Appie op die
noodlottige avond naar het winkelcentrum heeft gebracht. Was het diens
vader of een vriend? En hoe kon het dat die niets heeft gemerkt? Maar de
twee meest prangende vragen zijn:
Wat
voor man was Appie precies? Waarom is zijn vrouw doodgeschoten? En hoe kon
de voor hem en zijn vrouw onbekende schutter weten dat de twee vriendinnen
op die bewuste donderdagavond rond half acht in het winkelcentrum zouden
zijn?
Voor
het antwoord op de eerste vragen moet hij bij Appies ouders zijn. Erwin
zoekt hen kort na het drama op. Het wordt een kort gesprek.
“Wie
Appie was daar had ik eigenlijk niets mee te maken. En wat er allemaal was
gebeurd waren mijn zaken niet, vond zijn vader. Maar als zijn zoon mijn
vrouw doodschiet wordt het vanzelf mijn zaak. Ik vind dat de ouders
verplicht zijn mij te vertellen wat voor een persoon hun zoon is. Omdat
zij het ook moeilijk hadden, liet het maar zo. Ik heb ze mijn naam en
telefoonnummer gegeven. Tot op heden heb ik niets van hen gehoord. Niet
netjes. Maar dat gesprek moet natuurlijk nog wel volgen.”
Er
is nóg een gesprek dat Erwin binnenkort gaat voeren. Niet goedschiks, dan
maar kwaadschiks. En dat is met de eigenaar van Scale
Line, voor wiens deur zijn vrouw is doodgeschoten. Want Erwin is met
name benieuwd naar zíjn rol. Want waarom belde hij die donderdagavond
tussen tien over vijf en half zes tot drie keer toe met Sandra?
“Zij
was hier bij ons en ik kon dat gesprek bijna woordelijk volgen. Komen
jullie nog? Jullie komen toch wel he? Waarom deed hij dat? Was dat de
afspraak met Appie? Probeerde hij te bemiddelen? Zijn ze onbewust in de
val gelokt? Volgens de politie heeft Ton inderdaad met Appie gebeld, maar
meer om hem te vragen weg te blijven. Hij wilde geen toestanden in de
zaak. En hoe kan het dat Appie die daar in het winkelcentrum met een
pistool en twee volle magazijnen rondloopt, op Ton schiet en juist hem
mist? Terwijl de politie tegen mij zegt dat ze die kogel nooit hebben
gevonden. Wat weet Ton? Wat is daar in die zaak gebeurd. Ik wil
antwoorden.”
In
het Tielse winkelcentrum waar het bloedige drama zich heeft afgespeeld is
het deze woensdagmorgen nog rustig. Een forse blonde man ontsluit rond
tien uur de deur van een zaak die vol staat met
modelauto’s. We stellen ons voor. Hij deinst bleek achteruit.
“O nee, ik zeg niks. Ga maar weg.” En hij verdwijnt snel achter de
toonbank. Maar hij moet zich toch kunnen voorstellen dat de nabestaanden
nog veel vragen hebben?
“Dan
moeten ze niet bij mij zijn, maar bij de politie. Ik sta nog steeds onder
behandeling. Er zijn hier drie moorden gepleegd en er is ook op mij
geschoten...” Ton doet met duim en wijsvinger een pistool na. “...Dat
doet je wat hoor als iemand dat bij je doet. Daar kan ik nog steeds niet
over praten. Het spijt me.” Er staan tranen in z’n ogen.
Bij
het verlaten van zijn zaak lopen we over de plek waar die vijftiende april
de lichamen lagen van de twee jonge vrouwen. Onwillekeurig denken wij aan
de woorden van de zuster van Appie die de dag ervoor eveneens in tranen
had verteld:
“Appie
deed nooit iemand een vlieg kwaad. Hij was mijn lieve broertje. Het is
voor ons een raadsel.”
Een
norse man kijkt vanachter de half geopende deur in de Julianalaan in
Dodewaard naar de verslaggever. “Ik praat met niemand. Er wordt toch
alleen maar slecht over mijn zoon geschreven. En als je er toch over
schrijft doe ik je een proces aan.” Dan knalt hij de deur dicht.
Appies
zuster Ria in Nijmegen is vriendelijker. Met betraande ogen vertelt zij
over ‘haar broertje.’ In Hart van Nederland zag ze die donderdagavond
een item over een schietpartij
in Tiel en een dode die op een brancard werd weggevoerd. “Ik zei nog
tegen mijn man: Dat zal je thuis krijgen.”
Om
twee uur ’s nachts staat er twee politieagenten voor Ria’s deur. Zij
vertellen haar over de schietpartij en de dood van haar zeven jaar jongere
broer. Verdoofd regelt ze oppas voor de kinderen en laat zich naar haar
ouders rijden die een uur eerder al uit bed waren gebeld.
“Dan
gaat de deur open, zie je je vader... en wat moet je dan zeggen? Mijn
vader hoort nog elke donderdagnacht om één uur de deurbel. Niemand had
dit van Appie verwacht. Hij was een lieve jongen. Behulpzaam. Hij werkte
ook hard. Hij sjouwde tegels.
Een
beer van een vent, maar nooit agressief. De dag ervoor was hij hier nog
geweest. Zat hij hier met m’n zoontje te spelen. Hij was redelijk
vrolijk. Er was niets aan hem te merken. Natuurlijk was hij erg
verdrietig. Hij had een klap gehad van het verbreken van die relatie en
was erg afgevallen. Hij was er kapot van. Mag het ook na elf jaar? En dan
de manier waarop. Dat had Sandra ook wel anders kunnen doen. Ze hebben
twee keer bij mij ingewoond. Mijn type was het niet, maar het was de keuze
van m’n broertje.
Die
donderdagmiddag heeft hij mij nog gebeld. Hij zou naar Tiel gaan zei hij.
Ook toen heb ik niets aan hem gemerkt. Het blijft een raadsel. En wat ik
zo erg vind dat hij nu bekend staat als het Monster van Tiel. Terwijl het
zo’n goeie, hartelijke jongen was. Wat Appie gedaan heeft is niet goed
te praten. Maar voor mijn ouders is het ook erg. En voor mij. Ik heb Appie
moeten identificeren. Dat beeld raak ik nooit meer kwijt.”
Ria
zou graag nog veel meer over haar ‘broertje’ vertellen maar wil eerst
toestemming van haar ouders. Die komt niet. Alleen nieuwe dreigementen.