Gerda
Dekkers over haar zoon Jeroen,
Op
donderdag 12 augustus ging Jeroen met Rob naar Den
Haag. Zoals hij zelf de dag ervoor zei: “Voor een
leuk dagje”. Hij is echter nooit meer thuis gekomen.
Hij gaf
zijn vader die ochtend een kus, vroeg waar we ’s
avonds zouden eten en ging om 10.45 uur de deur uit.
Mijn vader was erg ziek (terminaal) en Bert en ik
hadden die laatste vakantieweek de zorg voor mijn
ouders, omdat mijn broer en zus met hun gezinnen nog
op vakantie waren. Daardoor hebben wij er niet zo op
gelet dat hij niet gebeld had. Toen wij ’s avonds
laat naar bed gingen was hij er nog niet, maar we
dachten dat hij wel zo thuis zou komen. Voor een
jongen van 24 eigenlijk niet zo vreemd.
De
volgende ochtend merkten wij dat hij er nog niet
was, maar we namen aan dat hij elk moment thuis zou
komen. Jeroen had namelijk last van
clusterhoofdpijnen en moest daar elke dag medicijnen
voor slikken. Die had hij donderdagochtend, voor
zijn vertrek, voor het laatst ingenomen. Die dag
moesten wij weer naar mijn ouders en ’s avonds toen
wij thuis kwamen belde een vriendin (Roos) van
Jeroen. Zij zei dat er volgens haar iets niet
klopte. Diverse mensen hadden de vorige dag
geprobeerd Jeroen en Rob mobiel te bereiken, maar
dat was niet gelukt. De telefoons gingen wel over,
maar werden niet aangenomen. Vanaf een uur of 1
waren ze zelfs uit! Dat had ik zelf ook opgemerkt
met betrekking tot Jeroen’s telefoon, maar ik nam
aan dat zijn batterij leeg was. Eigenlijk wel vreemd
voor Jeroen, want dat gebeurde bijna nooit. Ik had
er dus niets achter gezocht..
Roos was
met Sharita (de vriendin van Rob) vrijdagochtend
naar het politiebureau geweest om aangifte te doen
van vermissing. Wij wisten hier NIETS van. Roos deed
alsof ze Jeroen’s vriendin was om zijn vermissing
aan te kunnen geven. De politie ging er vanuit dat
de jongens wel weer boven water zouden komen en
vertelde dat je pas na 2 x 24 uur aangifte kon komen
doen. Dat betekende dus dat dat op zaterdag kon
gebeuren. Roos belde nu om te vragen of wij mee
wilden. Vanaf dat moment werden wij zeer ongerust.
Natuurlijk wilden wij ook naar de politie gaan. Op
dat moment drong het eigenlijk niet eens tot ons
door dat het wel erg vreemd was, dat de meisjes al
op het politiebureau waren geweest zonder ons daar
van tevoren over in te lichten.
Vrijdagavond heb ik alle ziekenhuizen in Den Haag en
omgeving gebeld om te vragen of er misschien 2
jongens waren opgenomen na een ongeval.
Zaterdag
14 augustus zijn wij bij de politie in onze
woonplaats geweest om officieel aangifte te doen van
vermissing. We probeerden de politie duidelijk te
maken dat ze dit zeer serieus moesten nemen. Immers,
Jeroen had zijn medicatie dagelijks nodig en daar
kwam nog bij dat zijn opa (mijn vader) ernstig ziek
was en Jeroen had bijna dagelijks contact met hem.
Tot slot: zijn zus Yvonne was na een doodgeboren
kindje in november 2002 en een miskraam in 2003
eindelijk weer zwanger en dat verliep allemaal
voorspoedig. Jeroen was daar heel erg blij mee en
zou niet ‘zomaar’ weggaan en dit allemaal achter
zich laten. Dat werd namelijk min of meer
gesuggereerd op het politiebureau.
Zondagmiddag 15 augustus kwamen twee vrienden van
Jeroen (Benny en Dennis) bij ons thuis om te
vertellen dat er toch wel ‘wat meer aan de hand
was’. Wij waren met stomheid geslagen. We wisten
niet beter dan dat de jongens voor een gezellig
dagje naar Den Haag waren . Nu bleek ineens dat Rob
ongeveer 2 jaar geleden was opgelicht door een
makelaar uit Den Haag en hij was die bewuste dag
naar Den Haag gegaan om geld op te halen. Volgens
het verhaal van de jongens had hij dat al vaker
gedaan, maar er waren nooit problemen geweest. Benny
vertelde dat hij al een paar keer met Rob was mee
gegaan. Eigenlijk zou hij die donderdag ook meegaan,
maar hij moest werken. Daarom had Rob Jeroen
gevraagd hem te vergezellen. De jongens hadden een
lijst bij zich met adressen waar Rob en Jeroen
mogelijk waren geweest en ze vertelden dat ze al
vanaf donderdagavond met zijn allen (de vrienden van
het voetbalteam werden daarmee bedoeld) aan het
zoeken waren in Den Haag. Benny zei dat het om een
bedrag van Euro 260.000 zou gaan. Toen hebben wij
meteen het gesprek beëindigd en zijn met de lijst
naar het politiebureau gegaan. Toen de politie dit
verhaal hoorde, werd de zaak meteen serieus
opgepakt. Men vertelde ons dat als ze dit
donderdagavond of vrijdagochtend (toen de meisjes
naar het bureau waren gegaan) hadden geweten, ze de
zaak niet 2 x 24 uur hadden laten rusten.
Zondagavond kwam mijn broer Martin met zijn gezin
terug van vakantie. Martin werkt als inspecteur bij
de politie in onze woonplaats, dus wij zijn ’s
avonds meteen naar hem toe gegaan om de hele zaak te
vertellen. Hij is die avond meteen naar het
politiebureau gegaan en heeft ook telefonisch
contact gehad met een aantal collega’s.
Maandag
16 augustus kwam Sharita met een nichtje bij ons op
bezoek. Zij had een paragnost ingeschakeld en kwam
met de meest vreselijke verhalen. De jongens zouden
zwaargewond zijn en ergens in Den Haag in een pand
liggen. We moesten ze snel vinden anders zouden ze
aan hun verwondingen overlijden. We dachten dat we
gek werden! Sharita kwam op ons niet oprecht over.
Het was sowieso heel vreemd dat zij niet donderdag
alarm had geslagen toen Rob niet op was komen dagen
bij het kinderdagverblijf om zijn zoontje op te
halen.
Later
bleek zelfs dat zij die donderdagavond al met Benny
in Den Haag was wezen zoeken. Op dat moment wisten
wij nog van niets! De informatie die de jongens ons
zondag kwamen brengen kwam bij haar vandaan (het was
immers een zaakje waar haar vriend bij betrokken
was), maar zij wilde eigenlijk niet dat wij hiervan
wisten. Ze heeft tot het laatste moment geprobeerd
de jongens ervan te weerhouden ons het hele verhaal
te vertellen.
Vanaf
dinsdag 17 augustus is de hele zaak zeer serieus
opgepakt door de politie, zowel in Zaanstad als in
Den Haag. Het onderzoek is die dag officieel
overgedragen aan de politie Haaglanden.
Woensdag
18 augustus hebben wij contact gezocht met een
paragnost. Met deze man (JP) hebben wij gedurende de
6 weken dat Jeroen vermist was heel intensief
contact gehad. Hij heeft met zijn aanwijzingen ons
als die weken op de been gehouden. Al bleek achteraf
dat hij het eigenlijk vanaf het begin niet bij het
rechte eind heeft gehad.
Donderdag 19 augustus is er een politiebericht
uitgegaan op de TV, aansluitend aan het NOS
journaal. Helaas leverde dat weinig tot niets op.
In de
daarop volgende weken zaten we in een soort
draaikolk van roddels, praatjes, aanwijzingen, hoop,
wanhoop, angst en allerlei andere emoties.
Er
gebeurde van alles: rechercheurs kwamen bij ons
thuis om DNA-materiaal van Jeroen veilig te stellen.
Zijn kamer werd doorzocht op zoek naar aanwijzingen.
Wij gaven foto’s mee en probeerden op onze eigen
manier mee te denken en te zoeken. De informatie van
JP werd door ons van A tot Z uitgeplozen in de hoop
Jeroen terug te vinden.
Het
contact met de politie (in principe verliep dat via
Martin) was erg goed. Ze zijn diverse malen bij ons
thuis geweest en we konden ze altijd bellen met
vragen enz. Ook zijn we in Den Haag geweest o.a.
voor een gesprek met de officier van justitie. De
mensen met wie Rob contact had gehad in Den Haag
waren bekend bij de politie. Dus men wist hoe en
waar te zoeken.
Op
maandag 23 augustus is aan de vermissing aandacht
besteed in het programma Opsporing Verzocht. Naar
aanleiding hiervan kwam een tip binnen waardoor de
auto terug werd gevonden op donderdag de 26e.
Op
dinsdag 7 september verslechterde de situatie van
mijn vader in snel tempo. Die dag zijn wij met z’n
allen naar mijn ouders gegaan en daar 2 dagen lang
gebleven. Mijn vader overleed op 8 september. Het
regelen van de begrafenis e.d. hebben we gezamenlijk
gedaan, maar het verscheurde ons wel van binnen,
want alle tijd die we daar in stopten betekende tijd
die we niet konden gebruiken om naar Jeroen te
zoeken. Op dinsdag 14 september was de begrafenis.
In de overtuiging/hoop dat Jeroen nog leefde hebben
wij uit zijn naam een rouwadvertentie geplaatst voor
opa en was er bij het dragen van de kist een lege
plek.
Inmiddels waren wij zo wanhopig, dat wij zoveel
mogelijk de publiciteit zochten voor deze zaak. Op
de regionale TV (TV Noord-Holland) waren wij al te
zien geweest met een interview. De regionale krant
(Dagblad Zaanstreek) had er ook al aandacht aan
besteed. Via Martin (hij is voorlichter bij de
politie) zochten we nu ook landelijk publiciteit. We
hebben een interview gegeven aan De Telegraaf en
zijn op vrijdag 17 september in Tros Vermist
geweest. Op zondag 19 september zaten wij in het
nieuwe SBS-programma Meldkamer.
In de
week daarna (week 39) waren we aan het eind van ons
latijn. We wisten niet meer wat we moesten doen en
waar we konden zoeken. Vrijdag 24 september hadden
we een afspraak bij de politie Den Haag. We wisten
dat er in die week huiszoekingen gedaan zouden
worden en het was de bedoeling dat men ons die dag
op de hoogte zou brengen van de resultaten daarvan.
Men hoopte sporen te vinden die zekerheid konden
geven dat Jeroen (en Rob) in bepaalde panden geweest
zouden zijn. Tot onze grote schrik werd ons verteld
dat donderdagavond in een leegstaand pand in de
Boerenstraat twee lichamen gevonden waren
ingemetseld in een muur. Het was vrijwel 100% zeker
dat het om Jeroen en Rob ging.
Lamgeslagen zijn wij naar huis gegaan. We moesten
onze dochter en andere familie vertellen dat Jeroen
nooit meer thuis zou komen. Dat weekend hebben we
als verdoofd thuis zitten wachten. Zaterdagmiddag
kwam het bericht dat de lichamen eindelijk vrij
gemaakt waren uit de muur. Zondag om 10.00 uur begon
de sectie en die heeft tot 20.00 uur geduurd.
Maandagmiddag om 13.30 uur kwamen 2 mensen van de
politie Haaglanden bij ons thuis met foto’s van
kleding, tatoeages en tot slot toonden zij sieraden.
Toen was het voor ons duidelijk dat het écht om
Jeroen ging.
’s
Middags zijn wij de begrafenis gaan regelen, mensen
gaan bellen enz. Dinsdagochtend werd Jeroen’s
lichaam vrijgegeven en zijn wij mee geweest om hem
op te halen uit Den Haag. Hij was al 6 weken alleen
geweest, dus we lieten hem de reis terug naar de
Zaanstreek niet alleen maken!
Op
vrijdag 1 oktober hebben wij hem begraven. De
belangstelling was overweldigend! Zoveel mensen,
zoveel bloemen, het was ongelofelijk.
Maar in
tegenstelling tot het overlijden van mijn vader was
deze begrafenis niet een afsluiting, maar juist een
begin.
Er
zitten 3 verdachten vast sinds 23 en 25 september.
De politie is nog volop bezig met het onderzoek.
Vorige week hebben de verdachten weer 30 dagen
‘gekregen’, met alle beperkingen. Helaas blijven zij
ontkennen. De politie is echter van mening dat zij
een goede zaak tegen deze mannen kunnen maken. Meer
aanhoudingen worden niet uitgesloten.
En wij
zitten maar thuis te wachten op …. Ja, op wat
eigenlijk? Nieuws uit Den Haag, de rechtszaak, de
uitspraak…. We weten niet wat ons nog allemaal boven
het hoofd hangt en dat is misschien maar goed ook.
Als we de diverse berichten op deze en de site van
Aandacht Doet Spreken lezen, dan slaat ons de schrik
om het hart.
Gerda:
Twee
jaar geleden had ik nog nooit een rechtszaal van
binnen gezien, nu ben ik hier bijna kind aan huis.
Twee jaar geleden had ik nog nooit van spreekrecht
voor nabestaanden gehoord. En nu sta ik hier omdat
onze Jeroen is vermoord en ik u wil uitleggen wat
voor impact dat op ons leven heeft. En ik weet
eigenlijk niet waar ik moet beginnen.
Dus ik
begin met Jeroen. Er wordt tijdens dit proces over
hem gesproken. De Jeroen uit het proces-verbaal, de
Jeroen van de foto’s waarop hij uitgebikt wordt, de
Jeroen uit de krantenartikelen, de Jeroen die
geassocieerd wordt met dat vreselijke woord
‘metselmoorden’ is niet de échte Jeroen.
En dan
Jeroen’s zus Yvonne. In de tijd dat Jeroen verdween
was ze voor de 3e keer in verwachting. De
eerste keer werd haar dochtertje dood geboren. De
tweede keer kreeg ze een miskraam. En met deze derde
zwangerschap moest voorzichtig om worden gegaan.
Gelukkig heeft ze Jeroen nog kunnen vertellen dat ze
in verwachting was. En hij was vreselijk blij met
deze zwangerschap. In de weken dat Jeroen vermist
werd zei ze dat ze dit kindje zo zou opgeven als we
Jeroen daarmee terug zouden kunnen krijgen. En ze
was juist zo blij met deze zwangerschap! Als door
een wonder werd er een gezond dochtertje geboren.
Maar Yvonne heeft zoveel verdriet dat ze mij vraagt
of een kindje van de moeder moet leren lachen. Want
dat kan ze niet meer.
Zo’n zin
snijdt door je hart, want ze had zielsgelukkig met
haar dochter moeten zijn. En écht gelukkig wordt ze
nooit meer, want het gemis van Jeroen blijft. Haar
broer is vermoord.
Ze
kan niet meer met Jeroen praten en lachen over de
dingen die ze vroeger samen deden. Er zijn geen
telefoontjes en dagelijkse SMS-jes meer en als wij
er niet meer zijn, heeft zij niemand meer om
herinneringen op te halen aan vroeger, hoe het ging
in ons gezin. Dit is haar allemaal afgenomen. Onze
Yvonne is óók
een slachtoffer. Ze kan niet genieten van wat de
mooiste tijd van haar leven had moeten zijn. Nee, ze
heeft de hulp van een psycholoog nodig. Ze is aan de
anti-depressiva en ze vertrouwt niets en niemand
meer. Onze zoon is lichamelijk kapot gemaakt, onze
dochter geestelijk.
En onze
kleindochter Zoë. Geboren in een familie waar de
mensen kapot zijn van verdriet. Die een moeder, een
opa en een oma heeft die nooit meer echt blij en
gelukkig kunnen zijn. Geboren in een familie waarin
iedereen vreselijk bang is dat ook haar iets zal
overkomen, want elke keer als ik haar vasthoud denk
ik: hoe zal ik jou wel kunnen beschermen, zoals ik
het bij Jeroen niet heb kunnen doen. We zullen haar
over Jeroen vertellen, want hij zal altijd bij ons
horen. En zij moet weten hoe haar oom was. Hoe
vreselijk blij hij was, toen hij hoorde dat zij
verwacht werd. En dat ook aan iedereen vertelde. We
zullen haar vertellen hoe iedereen die hem kende,
van hem hield. Dat hij altijd voor iedereen
klaarstond. En altijd iedereen wilde helpen.
Maar ook
zullen wij haar eens moeten vertellen wat er met
Jeroen gebeurd is. En waarom, terwijl we dat zelf
nooit zullen begrijpen. Ons verdriet is er altijd,
24 uur per dag. En alleen als we bij onze
kleindochter zijn doet dat verdriet niet letterlijk
pijn, maar wordt de ergste pijn door haar
aanwezigheid iets verzacht. Dit kleine mensje geeft
troost aan iedereen om haar heen. Wat een zware last
voor zulke kleine schoudertjes.
Jeroen’s
vader. Dat was altijd zo’n daadkrachtige man. Hij
regelde alles en nam alle beslissingen. Als Bert
iets op zich nam, dan kwam het voor elkaar. En deze
sterke man is helemaal kapot. Zo kapot van verdriet
en schuldgevoel dat hij niet in staat is hier zelf
het woord te nemen. Hij kan zich niet meer
concentreren, twijfelt aan alles en iedereen, maar
vooral aan zichzelf.
Zoals
tussen veel vaders en zonen heeft het ook tussen
Jeroen en zijn vader gebotst. En naar nu blijkt is
daar zoveel kostbare tijd aan verloren gegaan…. Elke
dag vraagt Bert zich af wat er van Jeroen geworden
zou zijn. Wie zijn vrouw of kinderen geweest zouden
zijn. Door deze afschuwelijke daad, zal hij zich dit
altijd blijven afvragen. Bert is een schim van de
man die hij voor 12 augustus 2004 was. Hij hield
altijd zo van een stukje rijden met de motor en nu
zegt hij tegen mij dat hij, als hij op de motor zit,
eigenlijk tegen de eerste de beste boom aan wil
rijden. Dan is alles voorbij: de slapeloze nachten,
het onrustige gevoel en het allesoverheersende,
alles verterende verdriet.
Ik vind
het erg moeilijk om iets over mezelf te vertellen.
Het verbaast me dat ik nog leef, want ik ben kapot
van verdriet. Sinds 24 september 2004 heb ik het
koud. Het voelt alsof er een stuk uit m’n hart is
gerukt. Elke ochtend is mijn eerste gedachte: oh
God, Jeroen is dood. Jeroen is vermoord. En hoe
vroeg het dan ook is, dan moet ik m’n bed uit, want
dan stik ik bijna. De zes weken van zijn vermissing
waren vreselijk, maar nu denk ik soms: toen hadden
we nog hoop. Want ook al had de politie gezegd dat
Jeroen volgens hen niet meer leefde, het kon er bij
mij niet in dat iemand Jeroen zou willen vermoorden.
Jeroen, die zijn maandsalaris aan iemand gaf, die
het op dat moment volgens hem harder nodig had dan
hij. Jeroen, die altijd voor iedereen klaarstond,
iedereen hielp. Wij wisten dat hij dat deed, maar na
zijn dood beseften wij pas hoeveel hij voor anderen
betekende, door alle verhalen die we hoorden. Daarom
begrijpt niemand waarom juist Jeroen vermoord is.
Eigenlijk wil ik niet verder leven, want het leven
dat ik nu leid is geen leven. Ik speel voortdurend
toneel. Praat, lach, doe met iedereen mee en ik kijk
vanaf een afstand naar mezelf. En begrijp niet hoe
ik dit allemaal doe. Telkens weer beleef ik 12
augustus 2004. Jeroen die vermoord wordt. Die 33
messteken in zijn lichaam krijgt. Ook al zou het,
zoals gezegd is, maar 5 minuten geduurd hebben,
geloof me, 5 minuten klinken kort, maar zijn erg
lang. 33 messteken. Bij de hoeveelste stierf hij?
Bij de vijfde, de zeventiende, de drieëndertigste?
Steeds als ik een mes zie, denk ik: was het er zo
een? Was het zo groot, zo scherp, ging het zo diep?
Ik voel zijn angst. Dat vind ik nog het ergste. Mijn
kind in doodsangst. En ik was er niet bij, om hem te
helpen. Mijn gevoel zegt dat ik bij hem had moeten
zijn toen hij in doodsangst was. Ik heb hem op de
wereld gezet en ik had hem moeten vasthouden toen
hij stierf. Hij had mijn ogen moeten zien, toen hij
voorgoed zijn ogen sloot.
Dit
schuldgevoel praat niemand me uit m’n hoofd. Ik ben
Jeroen’s moeder. Het was mijn taak hem te
beschermen. Dat er na zijn dood op zo’n respectloze
manier met zijn lichaam is omgegaan, beneemt me nog
steeds de adem. Er is gezeuld met zijn lichaam, dat
daarna in het beton is verstopt, in de hoop dat we
hem nooit meer zouden vinden. Ook dit beleef ik
steeds weer. Zie ik in gedachten de ene na de andere
laag cement bovenop onze Jeroen gegooid worden. En
als hij dan na 6 weken door Indy en Mouse gevonden
wordt, mogen wij hem niet meer zien. Ik kan niet
vertellen wat het met je doet als je thuis op de
bank zit en weet dat hier in Den Haag mensen bezig
zijn je zoon uit het cement te bikken. Dat je wacht
op het bericht dat ze daarmee klaar zijn, maar dat
er dan ook gezegd wordt dat we Jeroen niet meer
kunnen zien. Geen afscheid kunnen nemen van je kind
is het allerergste wat je als ouder kan overkomen.
Je kunt hem geen kus geven, geen hand op z’n wang
leggen of hem aanraken. Nee, ik zat op mijn knieën
bij zijn gesloten kist en vertelde hem zo hoeveel ik
van hem houd. Altijd als ik onze deur uitloop zie ik
weer die begrafenisauto de straat inrijden met
Jeroen erin. Zo kwam hij nog even thuis om ons op te
halen, zodat we hem konden begraven.
Op een
zonnige zomerdag 12 augustus 2004 is hij van huis
weggegaan. Op een mistige herfstdag 1 oktober 2004
kwam hij weer heel even naar huis, om daarna
voorgoed weg te gaan. Ik kan niet onder woorden
brengen, wat deze gedachten met me doen. Hoe ik me
van binnen voel.
En dan
komen de negatieve krantenberichten, waarin een
Jeroen wordt beschreven, die door niemand die hem
heeft gekend wordt herkend. Dan komt de eerste
proforma waarin over mijn zoon gesproken wordt als
de als uiterst gewelddadig bekend staande Jeroen
Dekkers. Dat heeft ons erg veel pijn gedaan. We
krijgen geen tijd om te rouwen, daar zorgen sommige
verslaggevers en advocaten wel voor. Razend van
woede zijn we op iedereen die hieraan meegedaan
heeft.
We zijn
veranderd in de afgelopen tijd. We bekijken iedereen
van een andere afkomst argwanend. We voelen een
diepe haat tegen een hele bevolkingsgroep, terwijl
we eigenlijk weten dat dit onrechtvaardig is. Nooit
heeft afkomst of huidskleur een rol in ons gezin
gespeeld, mede doordat Jeroen zoveel vrienden van
verschillende afkomst had, die allemaal bij ons
thuis kwamen. Dit gevoel hoort niet bij ons. Dit
argwanende. Deze haat.
We zijn
nu ruim 2 jaar verder sinds Jeroen vermoord is en we
zijn nog steeds lamgeslagen en verbijsterd. Niet
alleen wij, maar iedereen om ons heen. We leven
niet, we overleven.
Voor mij
is elke dag een opgave. Als ik ’s nachts huilend
door ons huis loop en er stopt een auto in de
straat, denk ik nog steeds: Zou dat dan toch Jeroen
zijn? Ik wacht nog steeds op hem. Het lijkt wel of
het nog niet voor 100% tot me is doorgedrongen dat
hij er niet meer is. We hebben geen afscheid kunnen
nemen. Mijn verstand weet het, mijn hart nog steeds
niet. Op 12 augustus 2004 is in 5 minuten tijd onze
zoon vermoord en ons leven kapot gemaakt. In 5
minuten tijd is er een streep getrokken door alles
wat ons blij en gelukkig maakte. Ik hoop en bid dat
het ‘maar’ 5 minuten geduurd heeft, maar
tegelijkertijd maakt het me witheet van woede. Waar
haalt iemand het lef vandaan in 5 minuten, of in wat
voor tijd dan ook, kapot te maken wat ik al 24 jaar
gekoesterd en liefgehad heb. En op een manier alsof
Jeroen’s leven van geen betekenis was.
Ik ben
nu 50 jaar en u mag best weten dat ik elke avond op
mijn knieën lig om God te vragen of ik alsjeblieft
geen 51 hoef te worden.
Tot aan
dit proces heb ik, voor zover het in mijn macht lag,
gevochten voor Jeroen. Om zijn naam en nagedachtenis
zuiver te houden. Na vandaag hoeft dat niet meer.
Voor mij hoeft het dan ook niet meer. Elke dag
wakker worden en weten wat er allemaal met Jeroen is
gebeurd, is de zwaarste straf die er is. Ik kan niet
meer!
Ik ben
begonnen met Jeroen en ik wil eindigen met Jeroen.
Mijn aller-, allerliefste zoon, die ik altijd zal
blijven missen. Elke dag, elk uur, elke seconde,
voor de rest van mijn leven.