Vier tot vijf politiemensen sterven
jaarlijks 'in functie'.
Hun dood slaat bij nabestaanden en bij
collega's diepe wonden. Jacqueline Wind weet nog hoe ze op 30 september
2004 met een kop koffie op de bank zat, thuis in Enschede, toen 's
middags een politieauto voor de deur stopte. Het was niet haar man
Jan, brigadier bij de politie, die uitstapte. "Ik voelde meteen
dat het mis was. 's Ochtends waren we nog naar een verjaardag geweest.
Daarna was hij naar zijn werk gegaan. Gewoon. Maar toen ik zijn
collega's zag uitstappen, zakte de grond onder mijn voeten weg."
Die collega's vertelden Jacqueline over Jans ontmoeting met Roedolf B.
De Duitser had zeventien jaar gezeten voor roofovervallen en was nu op
de vlucht na twee bankovervallen. Hij wilde koste wat kost niet weer
de bak in. Dus droeg hij een doorgeladen pistool bij zich, waarmee hij
Jan Wind in koelen bloede neerschoot toen die hem wilde fouilleren.
"Je denkt, dit gebeurt in Amsterdam, of aan de andere kant van de
oceaan. Maar niet hier," zegt Jacqueline. "Jan had wel eens
klappen gehad. Maar geen moment heb ik gedacht dat zijn beroep hem
zijn leven kon kosten. Als hij 's nachts werkte, lag ik nooit
wakker." Vandaag 21 maart 2006 woont de weduwe Wind in Warnsveld,
met 420 andere nabestaanden, de opening bij van de 'tuin der
bezinning'. De namen van 141 politiemensen die sinds 1 januari 1946
zijn omgekomen bij hun werk staan hier in steen gegraveerd. Het gros
is overleden bij ongelukken. Ongeveer eens per drie jaar sterft een
politiefunctionaris door 'opzettelijk geweld', zoals een schiet- of
steekpartij. "Het is mooi dat er nu een plek is waar mensen die
hun leven wijden aan onze veiligheid, geëerd worden."