| |
|
‘Ons huwelijk kwam
in gevarenzone’
|
Voor Jan Kloppenburg (71) was er na de
gewelddadige dood van zijn zoon Joes op 17 augustus 1996 eerst
de verdoving, daarna het gemis en het trieste besef dat er geen
nakomelingen met zijn naam zouden komen. Zijn drie dochters
hebben inmiddels ieder twee kinderen. In de woonkamer hangen een
schilderij en een tekening van Joes. Zijn eerste en zijn laatste
schoen staan op een kast. De
rechtsgang destijds was slopend. Door tegenstrijdige rapportages
diende de verdachte eerst nader te worden onderzocht en kreeg
hij uiteindelijk geen tbs.
Tijdens de zitting eind
april 1997 vroeg de president of de ouders van het slachtoffer het woord
wilden voeren. ‘Dat was uniek. Afra was bang dat ze geen woord kon
uitbrengen, maar heeft het tóch gedaan. Het voelde als een bevestiging
dat we als partij werden erkend.’
Negen maanden na de dood van Joes reageerde Jan Kloppenburg verward toen
hij ’s ochtends wakker werd. ‘Mijn vrouw vroeg iets en ik gaf
alleen maar antwoorden die nergens op sloegen.
Ze heeft er de buurman bij
gehaald en even later lag ik in het VU-ziekenhuis. Alles met betrekking
tot Joes was van mijn harde schijf gewist. Ik denk dat dat mijn
geestelijke noodrem was. Na drie dagen kwamen de herinneringen gelukkig
terug.’ |
 |
Anderhalf jaar ‘na Joes’ had Kloppenburg weer energie over en begon de
Stichting Kappen Nou! Vernoemd naar de poging van Joes om agressieve
jongeren die avond een halt toe te roepen. Tien jaar lang was hij bijna
monomaan bezig om jongeren te waarschuwen voor de gevaren van overmatig
gebruik van drank en drugs. Zo maakte hij de dood van Joes voor zijn
gevoel minder zinloos en hoopte hij (uitgaans)-geweld te voorkomen. ‘Het
werk voor de stichting heeft mij veel opgeleverd, ook voor mijn
verwerking van het gemis. Ik ben een doener. Bovendien leeft Joes in die
stichting voort.’
Door zijn gedrevenheid dreigde zijn huwelijk echter in de gevarenzone te
komen. Mannen en vrouwen zitten echt anders in elkaar, zegt hij. ‘Het is
het verhaal van Venus en Mars. Ik was naar buiten gericht, Afra en de
dochters meer naar binnen. Al kort na het verlies verweet mijn vrouw
mij: “Moet ik het verdriet alléén dragen?” Ze vond het raar dat ik niet
huilde als zij huilde.
‘Na mijn black-out ben ik, in navolging van mijn vrouw en dochters, in
therapie geweest, later ook samen met Afra. Dat heeft geholpen, maar
onderhuids blijft er een zekere spanning. Als een veenbrand die weer kan
oplaaien. Dat gevecht blijft. Ik vraag mij af of het ooit zal worden als
vroeger. Er is natuurlijk erg veel gebeurd.’
JAN KLOPPENBURG
|
|
|
 |
|
|
|