„Ik
voel me vreselijk schuldig. Omdat ik Anneke heb uitgenodigd en omdat ik
haar niet heb gebeld nadat ik haar op de trein heb gezet.”
Precies
anderhalf jaar na de nog altijd raadselachtige dood van de Rijswijkse
Anneke van der Stap lucht Lifan (27), de Enschedese vriend van de
vermoorde studente, voor het eerst zijn hart. In de hoop iets bij te
dragen bij het moeizame politieonderzoek.
De
tengere en schuchtere student commerciële economie, die Anneke op
maandagavond 11 juli 2005 voor het laatst levend zag, heeft het er
zichtbaar moeilijk mee.
Zijn
antwoorden zijn kort en details, zoals over de opvallende kleding die
Anneke droeg en de twee spoorloze tassen, kan hij zich niet meer
herinneren.
,,Het
is al lang geleden, dat ben ik vergeten. De politie zoekt nog steeds een
Pucca-tas, maar ik heb alleen gezegd dat het erop leek”, zegt Lifan.
Ook
het opvallende lichtblauwe T-shirt met een harde tekst over mannen,
waarin Anneke op 22 juli langs het Rijswijkse Jaagpad werd aangetroffen,
zegt Lifan niets: „Volgens mij had ze een jurk aan.”
Wel
staat die laatste dag met de 22-jarige Rijswijkse in zijn geheugen
gegrift.
„Ik
vond haar op een gegeven moment erg stil, vooral toen een vriendin, met
wie ik nu een relatie heb, langskwam. Normaal was ze altijd heel vrolijk
en in voor een geintje. Ze leek me een gelukkig meisje. We hebben
overdag Japanse tekenfilms gekeken, op msn gezeten en games gespeeld. Na
de barbecue op mijn balkon heb ik haar tegen half tien op de trein
gezet. Ik heb haar zien instappen en zwaaide nog naar haar.”
Over
wat daarna is voorgevallen, kan Lifan alleen maar speculeren.
„Ik
denk dat ze op het verkeerde moment op de verkeerde plaats was. Want
niemand, behalve ikzelf, wist hoe laat ze de trein had genomen.”
Dat
Anneke op station Amersfoort ruzie had, zoals een getuige meldde, kan
hij zich niet voorstellen: „Daar was ze het type niet voor.”
Toen
de Enschedese politie bij hem op de stoep stond met de mededeling dat ze
iemand zochten, schrok hij. „O shit, wat is er met haar, dacht ik. Ze
doorzochten het hele huis en vroegen of we ook een schuur hadden. Ik heb
Anneke meteen gebeld, maar ze reageerde niet, terwijl ze dat anders
altijd wel deed”.
Het
onderzoek van de Enschedese politie, enkele dagen nadat Anneke was
verdwenen, noemt hij oppervlakkig en lang niet zo intensief als dat van
het korps Haaglanden.
Met
de familie van Anneke heeft hij nauwelijks contact.
„Misschien
omdat ze me het gevoel hebben gegeven dat ik er iets mee te maken heb.
Bij ons sprak ze ook niet over thuis. Voor haar was de manga-club, net
als voor mij, een wereld waarin ze haar normale leven even helemaal kon
vergeten.”