Anita Nijkamp echtgenote van

 i.m. Gert Nijkamp

             

102

Onmetelijk verdriet

 

Er raast een storm in haar hoofd. Een storm met de kracht van een orkaan, die maar niet wil gaan liggen. Al een half jaar lang niet. Negen gelukkige jaren zijn ze onafscheidelijk, tot enkele welgemikte schoten een abrupt einde maken aan het leven van de Apeldoornse zakenman Gert Nijkamp. Daarmee worden tegelijk de levens en dromen van zijn vrouw Anita en kinderen aan flarden geschoten.

Het is donderdag 21 juni; de eerste dag van de zomer. Iets na half tien neemt Anita de telefoon op. Haar vader. 'Hoe is het met je', informeert hij met onzekere stem. 'En met Gert…? Is Gert bij je…?' Een vraag met daaronder een onheilspellende boodschap. Maar op dat moment weet Anita nog niet beter dat Gert haar zo komt ophalen, zoals bijna dagelijks. Een uur eerder heeft hij hun zevenjarig zoontje naar school gebracht. Een vast patroon; eerst kleine Gertje bij school afzetten, daarna Anita ophalen om samen naar de zaak te gaan. Samen, altijd samen. Ze kunnen niet zonder elkaar. En als ze zo af en toe niet bij elkaar zijn, dan bellen ze elkaar wel vijf keer per dag. Zo maar, om niets. Om gewoon even elkaars stem te horen. Dat is allemaal voorbij, want die eerste dag van een nieuwe zomer wordt tevens Gert Nijkamps laatste.

De eerste drie dagen van de week is kleine Gertje ziek thuis, maar die dramatisch verlopen donderdag is hij weer zo ver opgeknapt dat hij naar school kan. Vrolijk huppelt het kereltje naast Gert het schoolplein op. Daarna nooit meer, want als Nijkamp even later in zijn auto wil stappen om Anita op te halen, wordt hij door een dodelijk salvo getroffen; van dichtbij afgevuurd door een passerende scooterrijder. .Anita's vader, gewaarschuwd door een goede vriendin van haar, aan de telefoon tenslotte: '…Er schijnt iets heel ergs gebeurd te zijn...' Anita belt onmiddellijk Gert, maar die neemt niet op. Vervolgens belt ze de vriendin, die alleen maar kan bevestigen wat haar vader ook al vertelde. De loodzware werkelijkheid kan ze met geen mogelijkheid over haar lippen krijgen. Ze zegt alleen dat het bij de Berg en Bosschool is gebeurd en dat ze daar heen moet.

Anita, een half jaar later: "Bij de afzetting werd ik tegengehouden. Ik vroeg of Gertje ook dood was waarop de agent zei dat de kinderen niets mankeerden. Het was Gert; mijn Gert was dood. Hij, mijn man. Ik, zijn vrouw. Ik was boven toen hij Gertje weg bracht. Gert zei nog iets van 'tot straks', of 'ik ben zo terug.' Ik weet niet meer wat zijn laatste woorden waren. Maar daar gaat het ook niet om. Het gaat om alle woorden die je in al die jaren met elkaar hebt gesproken."

Ze heeft het Gertje zelf verteld. Boven, terwijl beneden het huis vol zat met familie en goede vrienden, aangeslagen en verslagen. Hij begon heel hard te huilen. Ik wil niet dat papa dood is, snikte hij. " Iedereen houdt van papa, zei ik hem. Maar ik het meeste, snikte hij. Later beneden, zei Gertje ineens: Papa houdt van een feestje, dus laten we er maar een feest van maken. Waarna hij voor iedereen drinken inschonk en broodje ronddeelde. Ik hoor 't hem nog verbaasd zeggen, toen hij zelf in een broodje met kaas hapte: De kaas smaakt nog precies hetzelfde."

Een flauwe glimlach vol vertedering tekent zich heel even af rond haar mond. " Gertje is soms heel verdrietig maar hij kan ook gewoon gelukkig zijn. Een kind is heel flexibel. Maar hij mist zijn vader enorm. Hij kan af en toe dingen zeggen, daar word je naar van.'' "Waren we er maar bij toen papa werd doodgeschoten, zei Gertje laatst nog. Dan waren we nu nog samen geweest. Ik vertelde hem dat papa dat nooit had gewild. En dat hij wil dat we verder leven. Met elkaar, voor elkaar."

Zelf lijdt ze aan permanente vreugdeloosheid. Overleven, noemt ze het. "Er is geen vreugde meer, geen perspectief voor de toekomst. We gingen er samen voor, waren heel gelukkig. Maar het is helemaal weg. We hadden zakelijk ook veel plannen. Die plannen zijn er nog, maar ik moet het nu alleen doen.'' Het valt haar zwaar dat de dader nog steeds vrij rondloopt. "Ik ben heel erg druk met het feit dat de dader niet gepakt is. Ik moet zorgen voor het eten voor de kinderen, voor de zaak en ik moet ervoor zorgen dat de dader wordt gepakt. Niet zelf, maar ik moet er wel aan bijdragen met alles wat er in mijn macht ligt.''

Het is nog steeds onwezenlijk. Soms is het net of haar man er nog is. Soms zegt ze zonder dat ze het door heeft: 'Ga maar naar Gert. Die weet wel een oplossing.' Ze schudt haar hoofd, snapt zichzelf af en toe niet meer. In zekere zin verbaast ze zich. Over haar kracht, bijvoorbeeld. Of over het feit dat ze helemaal niet bang meer is. "Er is misschien wel reden om bang te zijn maar dat voel ik niet zo. Wat moet mij nog overkomen?''.

Door Rob Hirdes en Raymond Korse

 

 

   

 

Contact

A.D.S.home

Gastenboek

  Inschrijven

 TV en Radio

 

INDEX

 Interview 102