Er
raast een storm in haar hoofd. Een storm met de kracht van een
orkaan, die maar niet wil gaan liggen. Al een half jaar lang niet.
Negen gelukkige jaren zijn ze onafscheidelijk, tot enkele
welgemikte schoten een abrupt einde maken aan het leven van de
Apeldoornse zakenman Gert Nijkamp. Daarmee worden tegelijk de
levens en dromen van zijn vrouw Anita en kinderen aan flarden
geschoten.
Het is donderdag 21 juni; de eerste dag van de zomer. Iets na half
tien neemt Anita de telefoon op. Haar vader. 'Hoe is het met je',
informeert hij met onzekere stem. 'En met Gert…? Is Gert bij
je…?' Een vraag met daaronder een onheilspellende boodschap.
Maar op dat moment weet Anita nog niet beter dat Gert haar zo komt
ophalen, zoals bijna dagelijks. Een uur eerder heeft hij hun
zevenjarig zoontje naar school gebracht. Een vast patroon; eerst
kleine Gertje bij school afzetten, daarna Anita ophalen om samen
naar de zaak te gaan. Samen, altijd samen. Ze kunnen niet zonder
elkaar. En als ze zo af en toe niet bij elkaar zijn, dan bellen ze
elkaar wel vijf keer per dag. Zo maar, om niets. Om gewoon even
elkaars stem te horen. Dat is allemaal voorbij, want die eerste
dag van een nieuwe zomer wordt tevens Gert Nijkamps laatste.
De eerste drie dagen van
de week is kleine Gertje ziek thuis, maar die dramatisch verlopen
donderdag is hij weer zo ver opgeknapt dat hij naar school kan.
Vrolijk huppelt het kereltje naast Gert het schoolplein op. Daarna
nooit meer, want als Nijkamp even later in zijn auto wil stappen
om Anita op te halen, wordt hij door een dodelijk salvo getroffen;
van dichtbij afgevuurd door een passerende scooterrijder. .Anita's
vader, gewaarschuwd door een goede vriendin van haar, aan de
telefoon tenslotte: '…Er schijnt iets heel ergs gebeurd te
zijn...' Anita belt onmiddellijk Gert, maar die neemt niet op.
Vervolgens belt ze de vriendin, die alleen maar kan bevestigen wat
haar vader ook al vertelde. De loodzware werkelijkheid kan ze met
geen mogelijkheid over haar lippen krijgen. Ze zegt alleen dat het
bij de Berg en Bosschool is gebeurd en dat ze daar heen moet.
Anita, een half jaar later: "Bij de afzetting werd ik
tegengehouden. Ik vroeg of Gertje ook dood was waarop de agent zei
dat de kinderen niets mankeerden. Het was Gert; mijn Gert was
dood. Hij, mijn man. Ik, zijn vrouw. Ik was boven toen hij Gertje
weg bracht. Gert zei nog iets van 'tot straks', of 'ik ben zo
terug.' Ik weet niet meer wat zijn laatste woorden waren. Maar
daar gaat het ook niet om. Het gaat om alle woorden die je in al
die jaren met elkaar hebt gesproken."
Ze heeft het Gertje zelf verteld. Boven, terwijl beneden het huis
vol zat met familie en goede vrienden, aangeslagen en verslagen.
Hij begon heel hard te huilen. Ik wil niet dat papa dood is,
snikte hij. " Iedereen houdt van papa, zei ik hem. Maar ik
het meeste, snikte hij. Later beneden, zei Gertje ineens: Papa
houdt van een feestje, dus laten we er maar een feest van maken.
Waarna hij voor iedereen drinken inschonk en broodje ronddeelde.
Ik hoor 't hem nog verbaasd zeggen, toen hij zelf in een broodje
met kaas hapte: De kaas smaakt nog precies hetzelfde."
Een flauwe glimlach vol vertedering tekent zich heel even af rond
haar mond. " Gertje is soms heel verdrietig maar hij kan ook
gewoon gelukkig zijn. Een kind is heel flexibel. Maar hij mist
zijn vader enorm. Hij kan af en toe dingen zeggen, daar word je
naar van.'' "Waren we er maar bij toen papa werd
doodgeschoten, zei Gertje laatst nog. Dan waren we nu nog samen
geweest. Ik vertelde hem dat papa dat nooit had gewild. En dat hij
wil dat we verder leven. Met elkaar, voor elkaar."
Zelf lijdt ze aan permanente vreugdeloosheid. Overleven, noemt ze
het. "Er is geen vreugde meer, geen perspectief voor de
toekomst. We gingen er samen voor, waren heel gelukkig. Maar het
is helemaal weg. We hadden zakelijk ook veel plannen. Die plannen
zijn er nog, maar ik moet het nu alleen doen.'' Het valt haar
zwaar dat de dader nog steeds vrij rondloopt. "Ik ben heel
erg druk met het feit dat de dader niet gepakt is. Ik moet zorgen
voor het eten voor de kinderen, voor de zaak en ik moet ervoor
zorgen dat de dader wordt gepakt. Niet zelf, maar ik moet er wel
aan bijdragen met alles wat er in mijn macht ligt.''
Het is nog steeds onwezenlijk. Soms is het net of haar man er nog
is. Soms zegt ze zonder dat ze het door heeft: 'Ga maar naar Gert.
Die weet wel een oplossing.' Ze schudt haar hoofd, snapt zichzelf
af en toe niet meer. In zekere zin verbaast ze zich. Over haar
kracht, bijvoorbeeld. Of over het feit dat ze helemaal niet bang
meer is. "Er is misschien wel reden om bang te zijn maar dat
voel ik niet zo. Wat moet mij nog overkomen?''.
Door
Rob Hirdes en Raymond Korse