|
Thema, Familie en relaties
Op 14 mei 2000 gaan Alan Roos
(31) en Daan de Blok (22)
stappen in een Loosduinse
discotheek. De volgende ochtend
slaat Alan's vriendin alarm bij
haar schoonouders: Alan is niet
thuisgekomen. De onrust slaat
toe als bekend wordt dat er twee
mensen zijn neergeschoten op een
parkeerplaats. Ze nemen contact
op met de politie, die direct om
een signalement vraagt. Een paar
uur later worden de angstige
vermoedens van de familie Roos
bevestigd: de twee vermoorde
jongens op de parkeerplaats zijn
Alan en Daan.
Alan's moeder, Irene Roos, herinnert het
zich als de dag van gisteren. ‘Ik was op het politiebureau toen ik het
hoorde. “Alan is dood.” |
 |
Wat er toen gebeurde...
Ik kon het niet bevatten. En nog steeds
niet.’ Vader Martin wilde het eerst ook
niet geloven. Een aanval van razernij
was zijn eerste reactie. ‘Ik sloeg dwars
door een deur heen. Zoveel woede en haat
voelde ik. Om een beetje tot bedaren te
komen, heb ik me teruggetrokken in mijn
werkkamertje. En daar ben ik bij wijze
van spreken nooit meer uitgekomen.’
Irene: ‘Ik kon helemaal niks meer, zat
alleen nog maar op de bank. Maar Martin
is meteen gaan strijden, vanaf dag één.
De moordenaar van onze zoon moest
gevonden worden, we wilden weten wat er
gebeurd was en waarom.’ Dat het om twee
daders ging, bleek vijf maanden later.
Twee mannen, vader en zoon, uit het
belendende woonwagenkamp werden
gearresteerd op verdenking van dubbele
moord met voorbedachte rade. De vader
beroept zich op zijn zwijgrecht, de zoon
legt een verklaring af. Het tweetal zou
Alan en Daan na het stappen een lift
hebben gegeven en in de auto schoot de
vader beide jongens door het hoofd.
Zonder enige aanleiding. De lichamen
dumpten ze op de parkeerplaats.
Dat er geen verklaring is voor de dood
van hun zoon kunnen Martin en Irene niet
accepteren. De totale zinloosheid ervan
brengt ze tot wanhoop. ‘Het is toch
anders als je kind overlijdt aan een
ziekte of ongeluk. Dan weet je tenminste
wat er is gebeurd,’ zegt Irene. ‘Wij
zitten met zoveel vragen. De eerste tijd
na Alans dood keek ik alleen maar naar
gewelddadige films. Ik hield daar
helemaal niet van, maar ik zocht
antwoord. Als iemand neergeschoten
wordt, heeft hij dan pijn? Hoe lang
duurt het voor hij sterft? Ik wilde het
zien.’ Irene kreeg last van straatvrees,
durfde de deur niet meer uit en kon haar
werk als verkoopster bij een modezaak
niet meer aan. Ook Martin had last van
angsten. Hij voelde zich zelfs zo
onveilig, dat hij een pistool van een
kennis aannam. ‘Ik ken mensen uit alle
kringen. Er werden mij meerdere
vuurwapens aangereikt. Iemand liet zo’n
ding zelfs gewoon bij mij achter. Maar
na er een tijdje mee op zak gelopen te
hebben, voelde ik me er toch niet goed
bij. Ik heb het teruggegeven.’
Het proces tegen de moordenaars van Alan
nam twee jaar in beslag. De vader kreeg
twintig jaar, de zoon twaalf. De laatste
is in september 2008 vrijgekomen,
aanleiding voor Martin en Irene om uit
Loosduinen te vertrekken. Het idee dat
ze hem elk moment tegen het lijf konden
lopen, was te angstaanjagend. Op de
schoorsteenmantel van hun huidige woning
staan talloze foto’s van Alan, omringd
door gedichtjes van vrienden en familie.
Er branden elke dag twee kaarsjes. Ook
in de vitrinekast brandt een kaars,
naast de urn met Alans as en een fles
van de rode wijn die hij altijd dronk.
‘Ons gezin is kapotgemaakt,’ zegt
Martin. ‘Al is het negen jaar geleden,
het verdriet is nog net zo groot. We
kunnen nooit meer écht blij zijn of ons
ergens op verheugen. Je doet dingen,
maar je beleeft ze niet. Alles is vlak.’
Irene: ‘Onze dochter Cynthia is vier
jaar geleden getrouwd, een heel
belangrijke dag natuurlijk. We waren d’r
bij, maar
that’s
it. Ik was blij voor Cyn, dat
ze een mooie dag had met supermooi weer,
maar zelf heb ik stiekem zitten janken.
Omdat Alan er niet bij was. Dat wil je
niet, maar het gebeurt gewoon.’ Martin:
‘En je leeft met niemand meer mee hè,
daar betrap ik mezelf ook op. O, heeft
die en die z’n been gebroken. Nou en?
Gaat wel weer over. Een hoop
onverschilligheid zit erin. Behalve naar
de lotgenoten toe, daar zijn we wel in
geïnteresseerd.’ Irene: ‘En in de
kleinkinderen. Die maken heel veel
goed.’
Sinds 2003 steekt Martin al zijn vrije
tijd in de door hemzelf opgerichte
lotgenotencontactgroep ADS, Aandacht
Doet Spreken – de initialen van Alan
Dave Spencer. Daarmee werkt hij aan de
belangen van nabestaanden van
slachtoffers van fatale geweldsdelicten.
Zijn werkkamer staat vol ordners, gevuld
met gespreksverslagen, notulen,
Kamerbesluiten en correspondentie met
lotgenoten en justitie. Martins
‘kruistocht’ komt voort uit frustratie
over de rechterlijke macht in het
algemeen en het proces tegen de
moordenaars van zijn zoon in het
bijzonder, over de gebrekkige opvang van
de nabestaanden en het vonnis tegen de
daders. Het werk voor ADS helpt hem om
zijn verlies te verwerken, zegt hij.
Maar aanvaarding of berusting is niet
voor hem weggelegd. Hij is nog altijd
boos, op zoek naar vergelding. ‘Ik voel
me druk in mijn hoofd. Opgejaagd,’
vertelt hij. ‘Ik heb altijd het idee dat
ik zóveel te doen heb, terwijl ik
misschien maar twee mailtjes hoeft te
sturen. Maar ik kan gewoon geen rust
vinden. Misschien als ik weet wat er op
de veertiende mei gebeurd is en de
daders zitten levenslang achter tralies,
dat ik me dan bij Alans dood neer kan
leggen.’.