10 oktober 2009   Wina , Wil , Ben en Martin         Volkskrant    

158

   

Vermoorde onschuld

Je kind verliezen door moord: het is niet of nauwelijks te verwerken. Contact met lotgenoten kan helpen bij het gemis en het verdriet. Op een weekend voor nabestaanden van geweldslachtoffers zoeken ouders, grootouders en andere familieleden steun en troost bij elkaar. ‘Sinds de dood van mijn zoon voel ik helemaal niets meer.’

 

Waar is jouw broer dan gestoken?’, vraagt Mikey (11) aan Lorenzo (13).‘In de stad’, antwoordt Lorenzo.‘Ja, maar waar is hij geraakt?’‘In zijn aorta.’ Lorenzo wijst op zijn borst. De twee jongens zwijgen even. Dan zegt Lorenzo: ‘Wedden dat ik mijn zakje chips eerder op heb dan jij?’

Op de lotgenotenbijeenkomst van nabestaanden van geweldslachtoffers wisselen de emoties elkaar in hoog tempo af. In Buitencentrum Wilhelminaoord in de Drentse bossen brengen getroffen familieleden samen een weekend door, met subsidie van de gemeente Den Haag en het ministerie van Justitie. Op het rookterras worden moppen getapt, onder de partytent troost iemand een jonge vrouw die snikkend vertelt over de moord op haar vader. In de eetzaal wordt luidruchtig bingo gespeeld, in de herdenkingsruimte, temidden van foto’s, kaarsjes en ingelijste gedichten, treurt een moeder om haar dochter, doodgeschoten door haar ex.

 

‘Dit weekend kunnen we helemaal onszelf zijn’, verklaart organisator Martin Roos. ‘Iedereen maakt hetzelfde door. Je kunt hier voluit huilen, maar ook lachen. We weten van elkaar hoe erg de pijn is, ook al maak je een grap.’

De zoon van Roos, Alan (31), werd in 2000 neergeschoten na een nachtje stappen. De reden is nog altijd onbekend, een van de daders is alweer op vrije voeten. Uit woede en verdriet over de moord richtte Roos de stichting ADS op: Aandacht Doet Spreken, naar de initialen van zijn zoon Alan Dave Spencer. Hij zet zich in voor de belangen van nabestaanden van fatale geweldsdelicten. Daarbij speelt lotgenotencontact een belangrijke rol. Roos: ‘Onder elkaar voelen we ons thuis. Dit zijn je eigen mensen, aan wie je niks hoeft uit te leggen.’

 

Ook voor Wina Tjong is de lotgenotenbijeenkomst een van de weinige plekken waar ze een beetje tot rust komt. Robbert Tjong Kim Sang (34), de zoon van Wina en Henk, kwam in 2003 tijdens een ruzie door wurging om het leven. De dader was zijn zakenpartner, de mede-eigenaar van zijn café. Hij begroef het stoffelijk overschot in een bos. Na bijna vier maanden werd het lichaam van Robbert gevonden, maanden waarin zijn ouders in doodsangst leefden. ‘De politie deed de eerste drie weken niks’, zegt Tjong. ‘Robbert was een volwassen man, die zou wel met een vriendinnetje op vakantie zijn gegaan, zeiden ze. Maar ik wist dat mijn Robbert dat nooit zomaar zou doen. We hadden een enorm hechte band, hij woonde nog thuis en vanaf zijn werk belde hij me soms wel tien keer per dag. Ik wist meteen dat het niet goed zat.’

Op Robberts kamer maakte ze een altaar met zijn foto, en elke avond sprak ze hem toe. ‘Ik zei: ‘Robbert, als je nog leeft, laat alsjeblieft iets van je horen. Doe me dit niet aan. En als je dood bent, lig dan niet weg te rotten als een kadaver, maar laat ons je vinden, zodat we je op een menswaardige manier kunnen begraven.’ Na wekenlang bidden kreeg ik een telefoontje toen ik in de kerk zat: of ik direct naar huis wilde komen. Daar zat Henk, met roodbehuilde ogen, aan tafel met een rechercheur. De zakenpartner had bekend en Robberts lijk was gevonden. Het schijnt dat ik toen heel hard gegild heb. Ik herinner me alleen dat ik zei: ‘Henk, geef me een oxazepam.’’

Wina en Henk Tjong moeten niet alleen zien te leven met het verlies van hun zoon, maar ook met de gruwelijke details rond zijn dood. In de rechtszaal deed de dader die uitvoerig uit de doeken. Tjong: ‘Hij beschreef hoe hij Robbert heeft gewurgd. Dat hij na afloop Chinees heeft gehaald en dvd’s heeft zitten kijken met Robberts dode lichaam op de grond. Hij had er wel even een slaapzak overheen gegooid. Het leek of ik opeens midden in een horrorfilm zat.’

Na zes jaar kan Tjong het nog altijd niet bevatten. ‘Vanaf dat moment ben ik koud, ijskoud, van mijn tenen tot mijn haarwortels. Ik heb een pantser om me heen getrokken en sindsdien nooit meer iets gevoeld. Geen pijn, geen vreugde, geen liefde, niks. Ik ben er, maar ik ben er niet. Er dringt nauwelijks iets tot me door. Ook Robberts dood niet. Ik moest afscheid nemen van een dichte kist, en maar aannemen dat hij daarin lag. Op de begrafenis dacht ik: wat doe ik hier? Toen mensen me condoleerden, kon ik niet begrijpen dat ze het tegen mij hadden. Soms zit ik uren op de begraafplaats; dan kijk ik naar Robberts graf, maar het zegt me niets. Ik wacht nog steeds op hem, het is alsof ik hem gisteren nog heb gesproken. Als hij nu binnenkomt, zou ik niet vragen: ‘Waar ben je geweest?’, maar: ‘Heb je al gegeten?’ Hij was zo’n goeie, goudeerlijke jongen. Zijn dood heeft me cynisch en verbitterd gemaakt. Zo was ik niet. Ik was juist vrolijk, het was altijd gezellig bij ons. Nu vind ik niets meer leuk. Je ziet aan de buitenkant misschien een lach, maar van binnen ben ik verscheurd. Ik adem, en dat is het.’

De moordenaar van Robbert kwam na vier jaar vrij.

 

Er zijn veel kinderen meegekomen naar het weekend in Drenthe. Het zijn zoontjes, dochters, broers, zussen, neven en nichtjes van slachtoffers van moord of doodslag. Voor hen is er een uitgebreid activiteitenprogramma, met speurtochten, balspel en darts. Gezeten naast het volleybalnet doet de 11-jarige Mikey zijn relaas met een luguber gevoel voor detail. ‘Mijn tante is verdoofd met een elektrische schok. Daarna is ze twee keer met een hamer op haar hoofd geslagen en in de Biesbosch gegooid. De moordenaar was iemand die ze kende, maar die ze niet wilde. En als híj haar niet kon krijgen, dan niemand.’ Hij moet het verhaal al talloze malen hebben gehoord en verteld, zo zakelijk is zijn toon. Op het nabijgelegen grasveld wordt fanatiek gevoetbald door zijn leeftijdgenoten, onder aanmoediging van de volwassenen. Anneke, een geblondeerde vrouw met een schorre, doorrookte stem, wijst op een langs hollende tweeling. ‘Die hebben als peuters hun moeder vermoord zien worden. Door hun vader. Hij zit nu in een tbs-kliniek, waar die kinderen verplicht op bezoek moeten van de rechter. Dat is toch van de gekke? Daar word je toch hels van? Maar ja, het is de maatschappij, hè, die wordt steeds meer verrot.’

Woede en verbittering, de nabestaanden op het lotgenotenweekend hebben er ernstig onder te lijden. Behalve het rauwe verdriet is er de onvrede over het Nederlandse rechtssysteem in het algemeen en over hun eigen zaak in het bijzonder. Over de eindeloos voortslepende processen, over de torenhoge kosten daarvan, over de daders die na een paar jaar weer vrijkomen. Veel nabestaanden voelen zich gedwongen te verhuizen als het zover is. Zoals Martin en Irene Roos, die halsoverkop hun woonplaats verlieten toen een van de moordenaars van hun zoon na zijn strafvermindering opeens weer in de stad liep. Martin gaf zijn baan als trambestuurder op, uit angst de dader tegen het lijf te lopen.

Hoe het is om oog in oog te staan met de moordenaar van je kind weet Anneke, die zelfs al twee keer door de man in kwestie bedreigd is. Een provincieverbod zou wel het minste zijn, betoogt ze verontwaardigd. ‘Maar justitie kijkt niet naar ons om. Voor de daders wordt goed gezorgd. Wij moeten het maar uitzoeken.’ Het is een algemeen heersend gevoel, dit weekend in Drenthe. Pleidooien voor hogere straffen, onbegrip over de voorgenomen sluiting van gevangenissen, sympathie voor de aanpak van Wilders en stemmen vóór de doodstraf – het is allemaal veelvuldig te horen. De nabestaanden hebben zo veel voor hun kiezen gehad dat ze elk vertrouwen in de rechtsstaat zijn verloren. Ook de vader van Stephen Metselaar, in 2001 neergeschoten en gewurgd, deelt die boosheid. ‘De moordenaar kreeg twaalf jaar, maar was na zes jaar alweer vrij. En toen werd-ie geholpen, hè. Een huis, een uitkering... Prutsers zijn het, bij justitie.’

Aan groepsgesprekken of therapeutische activiteiten doet men dit weekend niet. Het gaat vooral om de saamhorigheid, om het eten, drinken en bijpraten in een vertrouwde sfeer. Om geld in te zamelen voor een landelijk monument voor slachtoffers van geweldsmisdrijven is een rommelmarkt georganiseerd. Tussen de oude Bouquet-romans en de EK-voetbalglazen staan flesjes nagellak in harde kleuren. Onder de partytent legt een moeder haar voet op de schoot van een lotgenote. Die houdt flesjes nagellak omhoog: ‘Roze of paars?’ Nadat de vrouw haar keus heeft gemaakt, worden haar tenen gelakt. In haar decolleté prijkt een hanger met de naam van haar dode kind erin gegraveerd. Een man naast haar drukt zijn sigaret uit en loopt naar de herdenkingsruimte verderop. Tijd om de kaarsen te verversen.

 

Een van die kaarsen flakkert naast de portretfoto van Patricia Bouwens, die 25 jaar werd. Ze werd vermoord door haar echtgenoot en liet drie kinderen achter. De jongste was 6 maanden, de oudste 5 jaar. Na lang touwtrekken kregen Patricia’s ouders, Cor en Wil Bouwens, de pleegzorg toegewezen. Opeens hadden ze, beiden in de vijftig, hun jongste net het huis uit, de volledige verantwoordelijkheid over drie kleine kinderen. ‘Ik heb van het begin af aan gezegd: ‘Die kinderen blijven hier.’ Mijn dochter kon ik niet meer helpen, maar hen wel’, zegt Wil Bouwens. ‘Bovendien wilde ik niet dat ze werden verplicht om hun vader te bezoeken. En na vijf jaar knokken heeft jeugdzorg me eindelijk in het gelijk gesteld. De kinderen gaan nu alleen naar hun vader als zij dat zelf willen. Ook als hij straks vrijkomt.’

Tegen dat moment ziet Bouwens op als tegen een berg. De verhuisplannen zijn dan ook al in een vergevorderd stadium. ‘Zijn familie woont om de hoek, dus hij loopt hier vroeg of laat door de straat. Ik ben bang dat ik hem dan aanvlieg. Dat ik hem doodsla. Ik wil hem nooit meer zien.’

Over de precieze toedracht van de moord tast ze nog steeds in het duister. ‘We weten alleen dat ze relatieproblemen hadden. Hij vond haar te dik geworden na de bevallingen en wilde bij haar weg voor een ander. Tijdens een ruzie heeft hij haar gewurgd, in dekens gewikkeld en achter in de tuin verstopt.’ Vervolgens heeft de moordenaar Patricia als vermist opgegeven; ze zou in emotionele toestand het huis hebben verlaten. Een week lang werd er naar haar gezocht, ook door haar man, die zijn verhaal consequent volhield. ‘Hij troostte me nog’, herinnert Wil zich. ‘Hij hield me vast en zei dat het wel goed zou komen. Zo eng, achteraf. We hebben nooit iets aan hem gemerkt, het was een lieve jongen. Patries verafgoodde hem.’

Vanaf het moment dat het lichaam van haar dochter werd gevonden, leeft Bouwens in een boze droom. ‘Ik heb alleen maar lopen schreeuwen: ‘Het is niet waar!’ Daarom wilde ik Patricia ook nog zien, om zeker te weten dat ze dood was. Ze zag er verschrikkelijk uit. Ik wilde haar troosten, omdat ze door zoveel haat was gestorven, maar haar vasthouden, knuffelen, dat kon niet meer.’ Het eerste half jaar na de moord was het een grote chaos in Wils hoofd. ‘Ik was niks meer. Ik dacht: ik hoef mijn ogen maar dicht te doen en ik ga naar Patries. Maar als ik niet voor mezelf zorgde, kon ik er ook niet voor haar kinderen zijn. Dus heb ik de knop omgezet. Het kost me heel veel moeite en ik moet vaak mijn eigen gevoel uitschakelen, maar ik wil mijn kleinkinderen een fijne jeugd geven. Voor zover dat nog gaat, want ze zijn bijna alles al kwijt: mama, papa, het huis, de poezen.’

Vooral Wils kleindochter, die de moord waarschijnlijk heeft gezien, vroeg in het begin veel aandacht. ‘Ze schrok telkens wakker, bezweet, trillend over haar hele lichaam. Al hield ik haar vast, ze zag of hoorde me niet. Inmiddels gaat het beter met haar, ook dankzij een therapie.’ Ondanks de energie die het kost, is Bouwens blij met haar besluit de pleegzorg op zich te nemen. ‘Zonder de kinderen had ik als een dood vogeltje op de bank gezeten. Voor hen ga ik door, desnoods ten koste van mezelf. Als zij straks de wereld aankunnen, heb ik mijn missie volbracht. Hoe het daarna verder moet met mij, dat weet ik niet. Mijn leven is kapotgemaakt. Mijn lichaam doet pijn, ik heb constant een brok in mijn keel, kan me niet concentreren, ben alleen maar moe. Ik denk niet dat het ooit nog goed komt.’

 

Volkskrant PAM VAN DER VEEN

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Contact

A.D.S.home

Gastenboek

  Inschrijven

 TV en Radio

 

INDEX

 Interview 158