Kaatsheuvel
Verwerken?
Onmogelijk. Je kind verliezen door een misdrijf valt gewoonweg
niet te accepteren, zeggen de ouders die lid zijn van Aandacht
Doet Spreken. Zaterdag 28 november 2009 hield de lotgenotengroep
haar tweemaandelijkse bijeenkomst.
Hij had wel een
steen door de televisie willen gooien. Martin Roos zoekt het
niet op, maar toevallig zapte hij langs de stille tocht voor
Dirk Post op Urk. “Ik was meteen weer terug op 14 mei 2000, de
dag dat ik hoorde dat mijn zoon Alan was vermoord. Ik werd weer
helemaal kwaad.” De psychiater bedoelde het goed, maar Roos had
weinig baat bij de sessies. “Het oprichten van Aandacht Doet
Spreken (ADS), dingetjes organiseren, praten met de politiek:
dat is mijn therapie. Bij zo’n hulpverlener dacht ik toch: wat
weet jij er nou van?
Enkele tientallen ADS-leden kwamen dit
weekend naar Kaatsheuvel. In het kleine zaaltje van het
buurtcentrum wordt in de ene hoek bulderend gelachen, in de
andere hoek is het verdriet bijna tastbaar. Roos: “Hier weet
iedereen waar je het over hebt, we zijn allemaal een dierbare
kwijt.”
Of zo’n bijeenkomst haar leven overhoop
haalt? “Het ís nog overhoop”, zegt Mini van der Meijden.
Misdaadverslaggever Peter R. de Vries besteedde vorige week nog
aandacht aan de moord op haar twee jonge kleinkinderen. De
moeder van de kleine Romy en Daniel was verdacht, maar de
rechtbank sprak haar vrij. Het hoger beroep loopt nog.
“Als ik op de bank zit zie ik soms ineens
de box van Daniel in mijn ooghoek”, vertelt Van der Meijden.
“Het lijkt net of ik in een film ben neergezet waar iemand
anders de regie over heeft. Therapie heeft nog niet echt
aangeslagen. Wat nu? Slap hangen, lullig kijken. Ik voel het
gemis elke dag, het is met mijn leven verwerven.”
Het feit dat ‘iemand het heeft gedaan’ is
wat het de leden van ADS zo moeilijk maakt. “Toen mijn vader van
86 overleed, had ik veel verdriet”, zegt Mieke van Dorst. “Maar
ik had er vrede mee, ik voelde niet de woede, die boosheid. Maar
als die gek die mijn dochter Sabrina heeft vermoord niet had
bestaan, had ze nog geleefd. Hij had al eens iemand
neergestoken, maar toen kwam hij na drie maanden vrij.”
“Verwerken is het woord niet”, stelt Van
Dorst. Sabrina’s ringen hangen aan een ketting om haar nek.
“Verwerken doe je met afval. Ik heb geaccepteerd dat ik dit
verdriet heb. Soms doe ik opgewekt boodschappen, maar als ik dan
een meisje met een bos krullen zie, ben ik gelijk van slag. Dan
ga ik naar huis, zitten huilen.”
Na de moord durfde Van Dorst een tijdje
geen auto te rijden. “Ik had zoveel woede in mijn lijf. Ik
dacht: als ik nu word aangehouden, val ik die agent aan.” Roos
herkent die boosheid. “Tegenwoordig repareer ik
stempelautomaten, ik ben geen trambestuurder meer. Ze hebben me
er vanaf gehaald toen de moordenaar vrijkwam. Ik merkte zelf dat
ik onverschilliger werd: ik ging harder rijden, belde niet meer.
Kijk dan maar uit met oversteken, dacht ik. Dat is dat
haatgevoel. Dat maakt je kapot.”
Alledrie de nabestaanden richtten een
website op voor hun kind en kleinkinderen. Van der Meijden:
“Soms schrijf ik iets in het gastenboek, of zet ik een mooi
gedichtje op de site. In het dagelijks leven praat ik er niet
vaak over, alleen met hele goede vrienden. Maar ik wil Romy en
Daniel niet verzwijgen.” Van Dorst: “Ik zet zelf vaak iets op de
site voor mijn dochter, maar ook vriendinnen kunnen berichten
achterlaten. Soms moet ik er heel hard om lachen. Dan denk ik:
dat was typisch Sabrina.”