VIERVOUDIG MOORDENAAR WERKT AAN KORTERE CELSTRAF
VIA OMSTREDEN FOKKENSREGELING
Justitie wilde de viervoudig moordenaar levenslang
opbergen, maar de rechter vond twintig jaar en tbs wel
zwaar genoeg. Nog geen zeven jaar na het bloedbad dat
heel Nederland schokte, mag de Limburger mogelijk al de
bajes verlaten. Zijn advocate eist namelijk bij de Raad
voor Strafrechttoepassing dat haar cliënt in aanmerking
komt voor de zogenoemde Fokkensregeling, die inhoudt dat
hij al na een derde van de gevangenisstraf aan de tbs
behandeling mag beginnen. De nabestaanden van de
slachtoffers zijn woedend. „Dat betekent dat hij straks
per moord maar een jaar en zeven maanden heeft hoeven
zitten en ook nog eens eerder op verlof mag.”
Nabestaanden zijn verbijsterd en
woedend
Paul S. van
W. was die ochtend boos. Boos zoals hij nog nooit was
geweest, zou hij later verklaren. Nadat hij eerst nog
even de kinderen van zijn nieuwe vriendin naar school
had gebracht, hees hij zich, vloekend en tierend op zijn
ex-schoonfamilie, in een zwart gevechtstenue.
Zwaarbewapend stapte hij in zijn Mercedes en scheurde de
straat uit, op weg naar zijn ex-vriendin Daniëla (29),
haar ouders Lei (60) en José (56) en haar broer Patrick
(34). Even later lagen de vier, doorzeefd met kogels, in
hun bloed.
’Waar zijn
de rechten van slachtoffers?’
Toen de
Limburgse politie Paul S. van W. na zijn slachtpartij
aanhield, wisten de agenten niet wat ze zagen. Hier
stond, met een ijskoude blik in de kale schedel, een
regelrechte moordmachine. Tot zijn ondergoed aan toe had
het voormalige lid van het elitekorps BBE, de Bijzondere
Bijstands Eenheid, zich gekleed in combat-outfit. De
Cambodja-veteraan had zich in zijn eigen wapenkamer
omhangen met schietijzers en munitie, alsof hij het in
zijn eentje niet tegen zijn weerloze schoonfamilie, maar
tegen een compleet leger moest opnemen. De dood droeg
die dag een zwarte inzetoverall, een zwarte muts, een
inzethelm, kniebeschermers, legerkistjes, handschoenen,
een communicatieoortje, een koppel met pistoolholster,
een kogelwerend vest met het opschrift POLITIE, een
aanvalsvest, een Glock 17-pistool, een Steyr-geweer, een
groot aantal patronen en een mes.
De 37-jarige Paul S. van W. was de Vromens helemaal zat,
die ochtend. Weer was het uitgeraakt met Daniëla, weer
was er gezeur geweest over zijn uitgaven. Natuurlijk,
schoonvader Lei had de ex-marinier, die zijn carrière
bij defensie had zien stranden door een knieblessure,
financieel geholpen bij het opzetten van een
sportschool. Maar die schuld gaf hen niet het recht om
hem op de vingers te kijken. Toen Daniëla de spullen uit
de voormalige gemeenschappelijke woning had gehaald,
ontstak hij in een ontembare woede.
Boos stuurde hij zijn Mercedes de straat uit, naar de
woning van Vromen. Daar trapte hij de deur in. Daniëla,
José en Patrick hadden geen schijn van kans. De hond
Spikey spaarde hij nog in het bloedbad.
Even later stormde hij schreeuwend – ’motherfucker!’ –
de sportschool binnen. Daar belde Lei – in allerijl
gewaarschuwd door de broer van S. van W. die al onraad
rook – met 1-1-2. De telefonist hoorde vier knallen.
„Mijn jongen, wat doe je nou?”, murmelde Lei nog in het
Limburgs. S. van W., die in totaal zestien kogels
afvuurde en geen enkele maal miste, werd overmeesterd
door zijn broer en omstanders.
Het viel de officieren van justitie op hoe vriendelijk,
charmant en welbespraakt de meervoudig moordenaar
overkwam. Uit psychiatrisch onderzoek kwam S. van W.
naar voren als ’bovengemiddeld intelligent’ en als ’een
enorm rationeel ingestelde man die op een rigide wijze
voortdurend bezig is met het inschatten, plannen,
beredeneren en anticiperen om op die manier altijd een
paar stappen op zijn omgeving vooruit te lopen’. Zowel
voor de rechtbank als voor het gerechtshof eiste het OM
levenslang, maar de rechters oordeelden telkens dat
twintig jaar met tbs de enig passende straf is.
Het OM vond het vonnis van de rechtbank ’maatschappelijk
onverkoopbaar’, verklaarde zaaksofficier Chaira Ament
later. „Iemand met een lange straf en tbs kan relatief
snel, dan wel door proefverlof of door een
voorwaardelijke vrijlating, op straat staan, oog in oog
met de nabestaanden.”
Die mogelijkheid lijkt inderdaad reëel, nu Paul S. van
W. – inmiddels in de bajes getrouwd met zijn jeugdliefde
Petra – aanspraak probeert te maken op de zogenoemde
Fokkensregeling uit 1997. Die houdt in dat een
tbs-gestrafte na het uitzitten van een derde van de
gevangenisstraf naar de tbs-kliniek mag verhuizen.
Gedachte achter de regeling is dat de behandeling meer
effect heeft als die snel begint. Anders gesteld: als
een moordenaar de straf zou uitzitten die de rechter hem
heeft opgelegd, heeft tbs niet zoveel zin meer.
Voor S. van W. zou dit betekenen dat hij in juni van dit
jaar de gevangenis mag verlaten. Hij had die toezegging
al op zak, tot staatssecretaris Albayrak onlangs
aankondigde de Fokkensregeling af te schaffen, uit
pieteit met slachtoffers en nabestaanden. Volgens zijn
advocate mr. Françoise Landerloo is S. van W. er nu
slecht aan toe. „Hij had verwacht dat hij de komende
maanden naar de tbs-kliniek zou vertrekken.”
Landerloo vindt dat het terugdraaien van de regeling
niet door de beugel kan en vecht dat aan. Ze heeft een
bezwaar ingediend bij de Raad voor Strafrechttoepassing,
waarin ze eist dat haar cliënt alsnog deze zomer zijn
bajescel mag verlaten. „De uitspraak was in 2005, dus
voor het bevriezen van de regeling. Nu moet mijn client
tot 2017 wachten totdat tweederde van zijn straf erop
zit.”
Marlies Heuts, zus van de doodgeschoten gezinsmoeder
José Vromen, is ’laaiend’ dat S. van W. mogelijk deze
zomer al de gevangenis mag verlaten. „Die moordenaar
heeft mijn arme zus, zwager, neef en nicht gewoon
afgeslacht en als beesten, als hompen vlees
achtergelaten”, briest Heuts in haar woonkamer in het
Zuid-Limburgse Voerendaal, waar ze de naam van Paul S.
van W. geen enkele keer over de lippen krijgt. „Hij nam
het recht in eigen hand en wordt daar gewoon voor
beloond. Hij heeft ze opgejaagd in hun eigen huis en
afgeknald.”
’Dat hij
elke dag daglicht ziet, is nog te veel’
Mevrouw
Heuts eist dat de opgelegde straf ten uitvoer wordt
gebracht. „Ik heb geëist partij te zijn bij de Raad voor
Strafrechttoepassing, maar krijg te horen dat ik geen
rechten heb”, zegt ze. „Maar zo’n smeerlap heeft wel
rechten. Die eist dat hij sneller in de tbs komt. Hij
heeft niets te eisen! Dat hij elke dag daglicht ziet, is
nog te veel. Hij krijgt pro Deo-advocaten, psychologen,
psychiaters, hij mag op kosten van de samenleving
psychologie en rechten studeren in de gevangenis. Maar
waar zijn de rechten van de slachtoffers? Ik moet het
allemaal zelf doen, zonder betaalde advocaat. Het is een
ongelijke strijd. Niet het recht, maar de sterkste wint.
Als ik uit was op wraak, had ik zijn familie overhoop
geschoten, zodat hij hetzelfde voelt. Maar ik wil
gerechtigheid. Een van zijn advocaten zei me: ’Mevrouw,
mijn cliënt moet ook verder leven met deze vreselijke
tragedie’.”
„Die moordenaar heeft voor dat bloedbad het gezin
jarenlang respectloos behandeld, vernederd. Twee keer
heeft mijn zwager een extra hypotheek voor hem geregeld
om zijn schulden te saneren. Ze werden verdomme belogen
en bedrogen, maar bewaarden de lieve vrede omdat Daniëla
van hem bleef houden. Ze hadden niets meer. Alles ging
op aan hem. Dan had hij weer een dure Mercedes gekocht
van de hypotheeksom van zijn schoonvader, of liet hij op
maat gemaakte vuurwapens leveren. En als ze het waagden
iets te zeggen over zijn uitgaven, kregen ze het te
verduren. Hij heeft Lei mishandeld, de kapsalon van
Daniëla tot twee keer toe kort en klein geslagen, maar
hun onderlinge liefde kreeg hij niet kapot. En dat kon
hij niet hebben. Laffe hond. Waarom joeg hij niet een
kogel door zijn eigen kop?”
„Deze man mag nooit meer worden vrijgelaten. Waarom geef
je twintig jaar als er toch tweederde van af gaat? Hij
krijgt straks niet zeven, maar veertien jaar cadeau.
Zomaar, als een soort bonus. De vergelding staat in geen
enkele vergelijking tot het misdrijf. Die vier hebben
geen recht gekregen. Die liggen, de mond gesnoerd, onder
een twee meter dikke laag klei.”
Marlies Heuts voelt zich in haar eenzame strijd in de
steek gelaten. Door de politiek, door de rechtspraak,
door mensen die zich vrienden noemden. „Na zo’n bloedbad
ligt er opeens een bloemenzee voor de deur. Er worden
stille tochten gehouden. Maar een week later hoor je
helemaal niets meer. Dan is de hele rouwstoet, al die
duizenden mensen, als een reizend sensatiecircus naar
een ander drama getrokken om kaarsjes te branden. Je
bent totaal vergeten.
Nagenoeg alle politieke partijen in Den Haag wensten me
het beste en veel sterkte. De PvdA meldde me dat ze er
niet zijn om privéproblemen op te lossen. Alsof dit niet
te maken heeft met een falend systeem. Als zelfs de
politiek de schouders al ophaalt, waar kun je dan nog
terecht? Balkenende met zijn normen en waarden, roept
zijn afschuw uit over de dood van Milly Boele, omdat die
zaak zo in het nieuws was. Nooit iets van hem gehoord.
Die vindt sms’jes van Jan Smit belangrijk, niet die vier
gekken uit Limburg. Ze kletsen over een boerka verbod,
maar zouden zelf een nikab moeten dragen om het
schaamrood te verbergen.”
Er gaat geen dag voorbij zonder dat Marlies denkt aan de
afslachting van haar familie. „Ik ga wekelijks naar de
begraafplaats. Ik praat dan met ze en neem ze mee naar
huis. Mijn gevoel zegt soms dat ik zelf een einde aan
zijn leven moet maken zodra die moordenaar op vrije
voeten komt.”