| |
|
De avond voor zijn
dood hadden Rob en ik nog samen op het bankje voor
ons huis gezeten. We
hadden het
zo gezellig, we
waren echt een leuk gezin met ons dochtertje van bijna een. Om het
weekend kwamen zijn twee kinderen uit een eerdere relatie
en we hoopten op nog
een kindje
van ons samen. We
hadden een druk
sociaal leven,
gezellige buren. Ik werkte als stewardess, hij als
coördinator bij een
calamiteitendienst, heel normaal allemaal.
Het was de eerste
keer sinds de geboorte van onze dochter Joy dat Rob weer ging
stappen. Voordat zij er was haalde ik hem altijd
op als hij uitging.
Als ik de stad in ging met vriendinnen haalde hij
mij ook op. Dat
soort dingen deden wij voor elkaar. Amsterdam
is 's nachts geen
fijne plek om rond te dwalen. Zeker niet met
dat gedoe rondom de
taxistandplaatsen. Maar nu hadden we
natuurlijk een baby'tje en kon ik hem niet ophalen.
Om half zeven de
volgende ochtend werd ik wakker. Rob lag niet
naast me. Ik hoorde
de telefoon en wist het. Ik wist wat ze me
gingen vertellen.
Ik heb Joy uit bed gehaald
en ben meteen naar
het ziekenhuis vertrokken.
Rob was toen al hersendood. Het is zo
raar, er zitten
zoveel gaten in mijn herinnering
aan die dag. Sommige
dingen herinner ik me haarscherp. Hoe ik naar het
ziekenhuis reed,
hoe hij in dat bed
lag en ik alleen maar dacht:
dit kan gewoon niet,
zo'n levendige man. En
hoe ik uiteindelijk moest zeggen wanneer ze
de beademing mochten
stoppen. Ik was 39, stond daar met ons kindje op
de arm, en ik had
geen keuze. Rob was hersendood en had
vanaf de klap geen
schijn van kans meer gehad.
Terwijl alles in mij
wilde dat hij zou leven,
moest ik die
vreselijke beslissing nemen om
hem te laten
sterven. Maar andere dingen zijn blanco. Ik weet
niet meer wie me
heeft gezegd wat er is gebeurd. Ergens in de
loop van de ochtend
moeten ze dat aan me hebben verteld, maar
ik kan het me niet meer
herinneren.
ERVAREN
VECHTSPORTER
Rob was uit geweest met zijn
broer. 's Nachts wilde hij een taxi nemen op het Leidseplein. Naar
ik heb begrepen, en zoals wel
vaker voorkwam,
wilden de taxichauffeurs niet op de meter rijden
en vroegen ze het dubbele van
de werkelijke kosten voor de rit
naar huis. Rob ging
daar niet in mee, belde zelfs de politie om te melden dat het een
zooitje was bij de taxistandplaats. Zo was hij, hij hield niet van
onrechtvaardigheid. Er ontstond een ruzie. De
taxichauffeur
spuwde naar Rob, waarop hij hem met de vlakke
hand een klap gal.
Daarna sloeg de chauffeur Rob tegen de grond.
Volgens de
patholoog-anatoom was hij al hersendood voordat hij
het fietspad raakte.
Daarom vind ik het moeilijk te accepteren
dat de dader niet
voor doodslag kon worden veroordeeld. Er was
geen wapen in het
spel, zei men, maar zijn vuist was het wapen.
De taxichauffeur is
meteen gearresteerd. Hij werd veroordeeld
tot twee
jaar, maar in hoger beroep is zijn straf teruggebracht
tot twintig maanden
omdat er geen sprake zou zijn geweest van
opzettelijke
doodslag. Daarbij is volledig voorbijgegaan aan het
feit dat de
dader de zwarte band heeft in taekwondo en kickboksles
heeft gegeven. Hij wist dus heel goed wat hij deed. Hij
heeft
veertien van de twintig maanden uitgezeten. Veel te
kort. Ik
dacht dat het me niks zou uitmaken hoe lang hij moest
zitten, als hij maar gestraft werd. Rob kregen we er
toch niet mee terug.
Maar dit is wel een
erg magere genoegdoening. Die man heeft
mij en Joy ons leven
afgenomen. Zoals het was met Rob, zal het nooit
meer worden.
EXCUUSBRIEF
Ik heb de dader
nooit persoonlijk gesproken. Toen hij zes weken had
vastgezeten, kreeg ik via het Openbaar Ministerie een
soort
excuusbrief van hem.
Dat gebeurde een dag voordat besloten
zou worden of zijn
verzoek om vervroegde vrijlating zou worden
toegekend. De brief
was geschreven in goed Nederlands en met
veel te mooie
woorden. De dader kan hem onmogelijk zelf hebben
geschreven, zo goed was zijn Nederlands niet. En men had
niet eens de moeite
genomen om mijn naam op te
zoeken. Ik heb het naast me neergelegd.
Tijdens de
rechtszaken schoof hij de schuld vooral
naar anderen: de
politie die Rob niet op tijd gereanimeerd zou hebben,
naar Rob zelf die hem als eerste een klap had gegeven,
naar het lot. 'Het was
Rob’s dag niet,' zei
hij, 'en dat was jammer.' Het
was ieders schuld,
behalve die van hemzelf. Dat
vond ik zo erg.
De advocaat van de
verdachte probeerde mijn
geliefde neer te
zetten als een dronken agressieveling
van bijna twee meter, die bedreigend was
overgekomen op de
kleinere Marokkaanse chauffeur, en een
racistische opmerking zou hebben
gemaakt. Maar zo was
Rob helemaal niet. Hij
was een warme, lieve
man, die vrienden had in alle lagen van de bevolking en
met alle kleuren en rassen. Hij keek helemaal niet naar
afkomst. Rob was juist een man van wie iedereen hield.
Een man om
trots op te zijn en een geweldige vader. Dat laatste heb
ik ook kunnen
vertellen in de rechtszaal, maar niet veel meer dan
dat. Als
nabestaande heb je nauwelijks rechten. De dader mag
zijn verhaal
doen, jij mag alleen maar luisteren en uiteindelijk
een
verklaring voorlezen, waarin je alleen mag vertellen wat
de dood van
je geliefde met jou doet en niks over de daad zelf of
over het slachtoffer.
KOUDE
RILLINGEN
Ons dochtertje is nu
drie. Ze weet dat haar vader dood is, maar niet waaraan
hij is overleden. Dat komt nog wel, als ze wat groter
is. Het is zo'n leuk kind. Ik had het Rob echt gegund om
mee te maken hoe ze opgroeide. Hij was gek met zijn
dochter en zij met hem. Ze hadden het samen zo leuk
kunnen hebben. Ik merk aan Joy dat ze een vader mist.
Andere kindjes hebben het ook over hun papa. Laatst
stond ze een hele middag op de bank voor het
raam. Wat ben je aan doen?' vroeg ik. 'Ik wacht tot papa
thuiskomt van
zijn werk,' zei ze. Het breekt toch
je moederhart als
je dan moet zeggen dat papa
niet thuiskomt? Dat
hij nooit thuis zal komen? `Papa is in je hartje,' heb
ik gezegd. Ze keek me
heel serieus aan.
weet ik,' zei ze, `maar ik wil
zo graag dat hij er
nou een keer uitkomt. Want ik mis hem zo.'
Ik heb mijn werk als stewardess
nog steeds niet
opgepakt. Ik kan het gewoon niet. Als ik een taxi
zie rijden, voel ik de koude
rillingen over mijn rug.
Ik zal ook nooit meer in zo'n auto stappen.
Niet dat ik denk dat alle
taxichauffeurs slecht
zijn, of alle Marokkanen. Ik zie deze moord
als de daad van den persoon,
niet van een hele bevolkingsgroep of beroepsgroep. Maar het is
gewoon te confronterend. Eigenlijk wilde ik ook nooit van mijn leven
meer op het Leidseplein komen, maar vorig jaar heb ik daar
toch een lieveheersbeestjestegel tegen zinloos geweld
neergelegd. Ter nagedachtenis
aan Rob. Het was heel
confronterend om daar te zijn, maar ik wilde het doen. Voor hem en
om mensen eraan te herinneren dat zoiets nooit meer mag gebeuren.
Het was nog best een gedoe om toestemming van de
gemeente te krijgen. Ik mocht
Rob's naam er ook niet bij zetten.
Die heb ik toen maar aan de
achterkant van de tegel geschreven. Niemand ziet het, maar
het staat er wel.
De man die
Rob doodsloeg, heeft mijn leven verwoest. Ik zal hem
dat nooit
vergeven of het vergeten, maar ik zou het wel graag achter
me laten. Na
de uitspraak in hoger beroep is de dader in cassatie
gegaan. Ik
weet niet waar hij op hoopt, maar voor mij is dit echt een
drama. Zolang
hij bezig blijft met rechtszaken, blijf ik bezig met hem.
En
dat wil ik niet. Ik wil het los kunnen laten, verdergaan. Hoewel
ik Rob
en het verdriet om zijn dood altijd met me mee zal dragen.
18 VROUW.n1
|
|
|
 |
|
|
|