december  2011        Karin van der Plas

 link naar  i.m. pagina Rob Sitek

    zie ook 185 149  

193

 

 

 

 

 

 

 

 

De avond voor zijn dood hadden Rob en ik nog samen op het bankje voor ons huis gezeten. We hadden het zo gezellig, we waren echt een leuk gezin met ons dochtertje van bijna een. Om het weekend kwamen zijn twee kinderen uit een eerdere relatie en we hoopten op nog een kindje van ons samen. We hadden een druk sociaal leven, gezellige buren. Ik werkte als stewardess, hij als coördinator bij een calamiteitendienst, heel normaal allemaal. Het was de eerste keer sinds de geboorte van onze dochter Joy dat Rob weer ging stappen. Voordat zij er was haalde ik hem altijd op als hij uitging. Als ik de stad in ging met vriendinnen haalde hij mij ook op. Dat soort dingen deden wij voor elkaar. Amsterdam is 's nachts geen fijne plek om rond te dwalen. Zeker niet met dat gedoe rondom de taxistandplaatsen. Maar nu hadden we natuurlijk een baby'tje en kon ik hem niet ophalen.

Om half zeven de volgende ochtend werd ik wakker. Rob lag niet naast me. Ik hoorde de telefoon en wist het. Ik wist wat ze me gingen vertellen. Ik heb Joy uit bed gehaald en ben meteen naar het ziekenhuis vertrok­ken. Rob was toen al hersendood. Het is zo raar, er zitten zoveel gaten in mijn herinnering aan die dag. Sommige dingen herinner ik me haarscherp. Hoe ik naar het ziekenhuis reed, hoe hij in dat bed lag en ik alleen maar dacht: dit kan gewoon niet, zo'n levendige man. En hoe ik uiteindelijk moest zeggen wanneer ze de beademing mochten stoppen. Ik was 39, stond daar met ons kindje op de arm, en ik had geen keuze. Rob was hersendood en had vanaf de klap geen schijn van kans meer gehad. Terwijl alles in mij wilde dat hij zou leven, moest ik die vreselijke beslissing nemen om

hem te laten sterven. Maar andere dingen zijn blanco. Ik weet niet meer wie me heeft gezegd wat er is gebeurd. Ergens in de loop van de ochtend moeten ze dat aan me hebben verteld, maar ik kan het me niet meer herinneren.

 

ERVAREN VECHTSPORTER

 

Rob was uit geweest met zijn broer. 's Nachts wilde hij een taxi nemen op het Leidseplein. Naar ik heb begrepen, en zoals wel vaker voorkwam, wilden de taxichauffeurs niet op de meter rijden en vroegen ze het dubbele van de werkelijke kosten voor de rit naar huis. Rob ging daar niet in mee, belde zelfs de politie om te melden dat het een zooitje was bij de taxistandplaats. Zo was hij, hij hield niet van onrechtvaardigheid. Er ontstond een ruzie. De taxichauffeur spuwde naar Rob, waarop hij hem met de vlakke hand een klap gal. Daarna sloeg de chauffeur Rob tegen de grond. Volgens de patholoog-anatoom was hij al hersendood voordat hij het fietspad raakte. Daarom vind ik het moeilijk te accepteren dat de dader niet voor doodslag kon worden veroordeeld. Er was geen wapen in het spel, zei men, maar zijn vuist was het wapen. De taxichauffeur is meteen gearresteerd. Hij werd veroordeeld

tot twee jaar, maar in hoger beroep is zijn straf teruggebracht tot twintig maanden omdat er geen sprake zou zijn geweest van opzettelijke doodslag. Daarbij is volledig voorbijgegaan aan het feit dat de dader de zwarte band heeft in taekwondo en kick­boksles heeft gegeven. Hij wist dus heel goed wat hij deed. Hij heeft veertien van de twintig maanden uitgezeten. Veel te kort. Ik dacht dat het me niks zou uitmaken hoe lang hij moest zitten, als hij maar gestraft werd. Rob kregen we er toch niet mee terug. Maar dit is wel een erg magere genoegdoening. Die man heeft mij en Joy ons leven afgenomen. Zoals het was met Rob, zal het nooit meer worden.

 

EXCUUSBRIEF

 

Ik heb de dader nooit persoonlijk gesproken. Toen hij zes weken had vastgezeten, kreeg ik via het Openbaar Ministerie een soort excuusbrief van hem. Dat gebeurde een dag voordat besloten zou worden of zijn verzoek om vervroegde vrijlating zou worden toegekend. De brief was geschreven in goed Nederlands en met veel te mooie woorden. De dader kan hem onmogelijk zelf heb­ben geschreven, zo goed was zijn Nederlands niet. En men had niet eens de moeite genomen om mijn naam op te zoeken. Ik heb het naast me neergelegd.

Tijdens de rechtszaken schoof hij de schuld vooral naar anderen: de politie die Rob niet op tijd gere­animeerd zou hebben, naar Rob zelf die hem als eerste een klap had gegeven, naar het lot. 'Het was Rob’s dag niet,' zei hij, 'en dat was jammer.' Het was ieders schuld, behalve die van hemzelf. Dat vond ik zo erg.

De advocaat van de verdachte probeerde mijn geliefde neer te zetten als een dronken agressie­veling van bijna twee meter, die bedreigend was overgekomen op de kleinere Marokkaanse chauf­feur, en een racistische opmerking zou hebben gemaakt. Maar zo was Rob helemaal niet. Hij was een warme, lieve man, die vrienden had in alle lagen van de bevolking en met alle kleuren en rassen. Hij keek helemaal niet naar afkomst. Rob was juist een man van wie iedereen hield. Een man om trots op te zijn en een geweldige vader. Dat laatste heb ik ook kunnen vertellen in de rechtszaal, maar niet veel meer dan dat. Als nabestaande heb je nauwelijks rechten. De dader mag zijn verhaal doen, jij mag alleen maar luisteren en uiteindelijk een verklaring voorlezen, waarin je alleen mag vertellen wat de dood van je geliefde met jou doet en niks over de daad zelf of over het slachtoffer.

 

KOUDE RILLINGEN

 

Ons dochtertje is nu drie. Ze weet dat haar vader dood is, maar niet waaraan hij is overleden. Dat komt nog wel, als ze wat groter is. Het is zo'n leuk kind. Ik had het Rob echt gegund om mee te maken hoe ze opgroeide. Hij was gek met zijn dochter en zij met hem. Ze hadden het samen zo leuk kunnen hebben. Ik merk aan Joy dat ze een vader mist. Andere kindjes hebben het ook over hun papa. Laatst stond ze een hele middag op de bank voor het raam. Wat ben je aan doen?' vroeg ik. 'Ik wacht tot papa thuiskomt van zijn werk,' zei ze. Het breekt toch je moederhart als je dan moet zeggen dat papa niet thuiskomt? Dat hij nooit thuis zal komen? `Papa is in je hartje,' heb ik gezegd. Ze keek me heel serieus aan. weet ik,' zei ze, `maar ik wil zo graag dat hij er nou een keer uitkomt. Want ik mis hem zo.'

 

Ik heb mijn werk als stewardess nog steeds niet opgepakt. Ik kan het gewoon niet. Als ik een taxi zie rijden, voel ik de koude rillingen over mijn rug. Ik zal ook nooit meer in zo'n auto stappen. Niet dat ik denk dat alle taxichauffeurs slecht zijn, of alle Marokkanen. Ik zie deze moord als de daad van den persoon, niet van een hele bevolkingsgroep of beroepsgroep. Maar het is gewoon te confronterend. Eigenlijk wilde ik ook nooit van mijn leven meer op het Leidseplein komen, maar vorig jaar heb ik daar toch een lieveheersbeestjestegel tegen zinloos geweld neergelegd. Ter nagedachtenis aan Rob. Het was heel confronterend om daar te zijn, maar ik wilde het doen. Voor hem en om mensen eraan te herinneren dat zoiets nooit meer mag gebeuren. Het was nog best een gedoe om toestemming van de gemeente te krijgen. Ik mocht Rob's naam er ook niet bij zetten. Die heb ik toen maar aan de achterkant van de tegel geschreven. Niemand ziet het, maar het staat er wel.

De man die Rob doodsloeg, heeft mijn leven verwoest. Ik zal hem dat nooit vergeven of het vergeten, maar ik zou het wel graag achter me laten. Na de uitspraak in hoger beroep is de dader in cassatie gegaan. Ik weet niet waar hij op hoopt, maar voor mij is dit echt een drama. Zolang hij bezig blijft met rechtszaken, blijf ik bezig met hem.
En dat wil ik niet. Ik wil het los kunnen laten, verdergaan. Hoewel ik Rob en het verdriet om zijn dood altijd met me mee zal dragen.

 

18 VROUW.n1

 

 

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Contact

A.D.S.home

Gastenboek

  Inschrijven

 TV en Radio

 

INDEX

 Interview 193