|
Geb. 12 mei 1938
Rotterdam
(ZH)
woensdag 11 april
1948
De
09-jarige Keesje
Vermeulen werd
in de Delfshavense Schie (Rotterdam) in een juten
zak gevonden. Hij bleekt te zijn gewurgd en seksueel te zijn misbruikt.
Zijn kleertjes lagen in stukken geknipt in de jutezak.
Keesje Vermeulen verdween op de
avond van 11 april 1948 in Rotterdam. Pas twee weken later vond men het
jongetje terug in een juten zak die op de Delfshavense Schie dreef. Deze
kindermoord was in die tijd een grote schok voor Rotterdam. Meer dan 25000
belangstellenden kwamen op de begrafenis van het jongetje. Iedereen was
erover eens dat de moordenaar een psychopaat moest zijn. En de politie wil
dan ook kostte wat het kost de moordenaar pakken.
Bureau Haagseveer kreeg opdracht
om uit te zoeken wie achter deze moord zit. Ze kwamen terecht bij Hendrik
K., een ondernemer van een boerenbedrijf. Een juten zak zou bij hem zijn
verdwenen en zijn kompaan had hem ooit betrapt terwijl hij ontucht pleegde
met een 16-jarige arbeider.
Hendrik K. ontkende de moord,
maar onder druk kreeg inspecteur Den Outer het toch voor mekaar om deze man
de kindermoord te laten bekennen. K. werd op 23 augustus 1950 tot levenslang
gevangenisstraf plus tbr veroordeeld.
In 1951 kwamen er tips binnen
bij Bureau Haagseveer die in plaats van K. wezen naar de 29-jarige
kappersbediende G.J.L. uit de Aelwijn Floriszstraat in Rotterdam. Deze tips
werden gegeven door een broer van L. die bij privé-detectives de
beschuldigende vinger naar zijn broer ophief. G.J.L. werd naar Bureau
Haagseveer gehaald, maar hield stug vol niets met de dood van Keesje
Vermeulen te maken te hebben. Na een week moest men de kappersbediende laten
gaan. Er kwam een dag later bij Bureau Haagseveer een anoniem telefoontje.
De beller (een mannenstem) meldde dat K. onschuldig was en dat de politie
hem moesten laten gaan. Daarna werd meteen opgehangen.
Op 12 januari 1955 - K. had toen
vijf jaar gezeten - bleek toch dat hij met onvoldoende bewijs was vervolgd.
De juten zak die als belangrijkste bewijsmateriaal werd beschouwd bleek niet
uit zijn bedrijf afkomstig te zijn. Er zaten stoffen in die niet van belang
waren voor een boerenbedrijf. K. werd een week later vrijgelaten.
Het Bureau Haagseveer ging
verder met het zoeken naar de dader. Ze stuitten op een groenteboer genaamd
B. die mogelijk wat met de moord te maken had. Uiteindelijk bleek er
onvoldoende redenen te zijn om de groenteboer te vervolgen. B. stierf op 14
april 1951 na een lang ziekbed. De moord op Keesje Vermeulen heeft hij nooit
bekend.
Verder zet inspecteur Den Outer
zijn zinnen op de gebroeders van der E. Het blijkt dat de broers in de
Tweede Wereldoorlog hadden samengewerkt met de vader van Keesje. Dit zou een
link kunnen zijn, volgens Den Outer. In 1955 ging hij door met zijn
speurtocht. De 39-jarige Jan van der E. werkt in een metaalwarenbedrijf waar
ze regelmatig jutezakken gebruiken. Er werd een huiszoeking gedaan op zowel
het bedrijf als bij huize Van der E. maar men vond niets, behalve een oude
lap met braaksel die ze in het Gerechtelijk Laboratorium lieten onderzoeken.
Den Outer liet op 22 februari
1956 zijn theorie over Jan van der E. vallen en zette zijn zinnen op diens,
broer de 39-jarige Klaas van der E. Hierbij kreeg hij hulp van de
ex-minnares en ex-dienstmeid van Van der E. waar Van der E. jaren een
buitenechtelijke relatie mee had. Zij vertelde aan Den Outer dat Klaas van
der E. midden in de nacht van 11 april 1948 bij haar thuis kwam en bekende
een jongetje te hebben misbruikt en te hebben vermoord. Vervolgens zou Klaas
van der E. haar hebben geďntimideerd.
Men arresteert Klaas van der E.
op 7 juli 1956 en confronteerde de bestelauto-chauffeur van de bakkerij met
de verklaringen van zijn ex-minnares. Klaas van der E. ontkende de moord op
Keesje Vermeulen te hebben gepleegd. Daarbij zegt hij dat zijn ex-minnares
alleen kwaad is omdat hij haar heeft gedwongen haar zwangerschap ongedaan te
maken. Ook bekende hij wel eens brood te hebben gestolen uit de bakkerij.
"Op andere punten ben ik wel een ploert," zegt hij. "Maar met die
kindermoord heb ik niks te maken". Een maand later gaf de ex-minnares toe
valse getuigenis te hebben afgelegd. Klaas van der E. werd enkel vervolgd
wegens het plegen van een abortus en verduistering.
Vier jaar lang bleef het
dossier-Keesje Vermeulen op de plank staan. Pas in maart 1961, toen de
eerder genoemde kappersbediende G.J.L. werd gearresteerd voor de moord op de
8-jarige Marcel Nivard die op 8 februari 1961 in de nacht verdween, werd het
dossier-Keesje Vermeulen heropend. Er waren namelijk een hoop overeenkomsten
met de moord op Keesje en de moord op Marcel Nivard. L. heeft al bekend
Marcel Nivard te hebben vermoord nadat hij geprobeerd had hem in de
kruipkelder van de kapperszaak waar hij probeerde zich seksueel aan hem te
vergrijpen. Marcel had echter geschreeuwd en in angst heeft hij het jongetje
gewurgd. In de kapperszaak waar hij ten tijde van de zaak-Keesje Vermeulen
werkte was er ook een kruipkelder waar nota bene jutezakken lagen
opgeslagen. L. had een eigen sleutel voor de kapperszaak. Keesje Vermeulen
en Marcel Nivard verdwenen beiden in de avond, werden beiden gewurgd en
beiden werden op het water teruggevonden. Daarbij loog L. over feiten of
vertelde hij de waarheid niet helemaal. Toch heeft L. nooit de moord op
Keesje Vermeulen bekend en meer dan wat aanwijzingen zijn er niet. G.J.L.
werd voor de moord op Marcel Nivard veroordeeld tot twintig jaar celstraf en
TBR. Sindsdien ligt het dossier weer terug op de plank.
De zaak-Keesje Vermeulen werd
nooit opgelost.
|